Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetgeen de geachte spreker heeft gezegd, aan, en dan moet ik verklaren de toepassing niet te vatten. Zoo men in 1849 eene wet, regelende het recht om te vergaderen en te vereenigen, kon verwerpen, dewijl men geen recht van schorsing wilde toekennen, zal men toch niet wel kunnen verwerpen een ontwerp van gemeentewet, hetgeen aan het Gouvernement het recht om gemeenteverordeningen te schorsen, toekent, vermits dat recht uitdrukkelijk door de Grondwet aan het Gouvernement is toegekend, vermits het daar, waar die verordeningen in strijd mochten zijn met de wetten of het algemeen belang, door de Grondwet uitdrukkelijk als plicht aan de Kroon is opgelegd.

Repliek van de lieeren Mackay, van Goltstein, van Lijnden en Groen van Prinsterer.

Ik ben wel een enkel woord schuldig aan de vier sprekers, die de moeite genomen hebben mij nog te beantwoorden. In de eerste plaats is de geachte spreker uit Arnhem (de heer Mackay), teruggekomen op het begrip van corporatiën. Hij beeft gezegd, en ik heb dit met bijzonder genoegen gehoord, dat zijne bedoeling niet is terugvoering tot den vorigen tijd. Ik heb het met te grooter genoegen gehoord, omdat ik mij dit niet had durven voorstellen na hetgeen de geachte spreker gisteren daaromtrent in het midden bracht. Ik heb gemeend het begrip, door den geachten spreker aan gemeentecorporatién gehecht, te moeten afleiden uit deze zijne tegenstelling: „de gemeenten moeten zijn corporatiën; zij moeten niet zijn onderdeelen, zij moeten niet zijn ondergeschikte colleges". In het stelsel van de Regeering, in het stelsel van dit ontwerp zijn de gemeenten corporatiën, maar tevens onderdeelen, ondergeschikte colleges.

De geachte spreker, die het laatst het woord heeft gevoerd, heeft erkend , dat hij in de gemeenten wenscht te zien souvereine corporatiën, zooveel het inwendige betrof. Ik ben overtuigd, dat wanneer de wet, ik zal niet zeggen zóóver ging, maar zoo weinig ver ging, om aan de gemeenten dergelijke regelen van bestuur niet op te leggen, als hier worden voorgeschreven, dat de wetgever dan eene zeer gewichtige taak zou verzuimen, zijne taak namelijk om te waken voor het behoud der gemeenten, dat is, der gronddeelen van den Staat. Hoe? Onder voorwendsel dat geven van regels krenking van autonomie ware, zou men geenerlei regel mogen stellen ten aanzien van hetgeen tot het bestaan der gemeenten wezenlijk wordt vereischt; geenerlei regel omtrent de voorziening in hare behoeften; geenerlei regel tot verzekering van een goed bestuur? Dit alles zou men moeten overlaten? Op die wijze zou men den Staat in zijne gronddeelen aan regeeringloosheid, aan verwaarloozing bloot geven.

De laatste geachte spreker heeft gezegd dat er weinig initiatief zal genomen worden; maar het kan niet anders of het zal worden genomen.

Sluiten