Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Do lieer v. Doorn stelde een, later weer door hem ingetrokken, amendement \ooi , lid 2 van het artikel te lezen: „Om kiezer van leden van den Gemeenterad te zijn, moet men in de directe belastingen betalen de som vermeld.

de b'J deze wet gevoegde tabel". De heer v. Nispen wilde als 3de alinea aan art. 5 toevoegen: „In die gemeenten, waar deze helft meer dan f 10 bedraagt, wordt, indien er geene 25 kiezers voor den Raad gevonden worden, de belastingsom die men betalen moet om kiezer te zijn op f 10 gebracht".'

Deze discussie heeft op mij een aangenamen indruk gemaakt, wanneer ik mij herinner hetgeen verleden jaar is voorgevallen. Zoo'ik mij niet bedrieg, was bij de bezwaren, toen geopperd tegen den census van de kieswet, bij zeer vele leden het bezwaar of het vermoeden op den voorgrond, dat die census, waarvan de helft de census voor de gemeenteverkiezingen zou worden, te laag was. Nu meenen alle sprekers, ik geloof zonder eenige uitzondering, het tegendeel, dat namelijk de census voor de gemeenteverkiezingen te hoog zou uitkomen. Men was toen bevreesd voor te veel kiezers, nu voor te weinig. Ik meen daarin een bewijs te mogen zien, dat onze instellingen goed werken, dat wij vooruitkomen, dat men zich met het Gouvernement in diezelfde richting medebeweegt, die het bij de discussiën over de kieswet heeft voorgestaan, en die ik steeds voorsta.

De geachte spreker uit de residentie, afgevaardigde uit Zwolle, heeft met voor de eerste reis getracht, den Minister van Binnenlandsche Zaken met den Minister van Binnenlandsche Zaken in tegenspraak te brengen. Mijne Heeren, ik hoor mij zeiven, hetzij als Minister, hetzij uit een vroeger tijdvak zoo dikwijls aanhalen, dat ik meenen zou hoogst onbescheiden te zijn, en de orde der discussie in deze Vergadering te storen, indien ik dergelijke aanhalingen niet voorbijliet. Ik geloof dat ik gisteren een sprekend voorbeeld daarvan gegeven heb. Ik was zeer genegen mij te bedienen van de gelegenheid, die men mij gaf, doch ik heb op die aanhalingen van gisteren geen woord gezegd om de Vergadering niet met mij bezig te houden, daar waar ik eene zaak moet verdedigen. De aanhaling evenwel, nu gedaan, staat met de geschiedenis van het artikel in verband. De geachte spreker verplicht mij dus daarop te antwoorden. Hij heeft gezegd: de Minister van Binnenlandsche Zaken veroordeelde in 1848 het "stelsel dat hij thans voorstaat, en omdat het wenschelijk is voor den Minister, dat het nu voorgedragen ontwerp worde aangenomen, zou het kunnen zijn dat de mcening van den Minister daardoor op dit oogenblik vooringenomen ware. De geachte spreker raadt de Vergadering daarom aan meer vertrouwen te stellen in de ineening die de Minister uitte in 1848 dan in zijne tegenwoordige meening. En welke is die vroegere meening geweest? Dat dit systeem goed ware? Dat het systema, in de Grond" wet opgenomen, juist ware? Geenszins, dat stelsel is toen door den Minister van Binnenlandsche Zaken veroordeeld; hij heeft er zich tegen verklaard, dat de plaatselijke census afhankelijk wierd gesteld van

Sluiten