Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als thans omtrent den census in art. 139 te vinden is. Integendeel, die commissie heeft het stelsel omhelsd, dat mij toen het meest wenschelijk voorkwam, en hetgeen mij nog het wenschelijkste zou voorkomen, indien het in de Grondwet ware gebracht. Het artikel luidde oorspronkelijk aldus: „Aan het hoofd der gemeente staat een Raad, welks leden door de ingezetenen, bij de wet aan te wijzen, voor een bepaald aantal van jaren worden verkozen". Bij de wet aan te wijzen, meer staat er niet. Nu werd in de commissie het gevoelen verdedigd, dat, wanneer men de Grondwet niet meer deed zeggen, er dan eene geheel willekeurige macht aan den wetgever wierd verleend. Dit was, meende men, niet geraden; op dat oogenblik kon het wellicht geen kwaad, maar zoo het eens gebeurde, dat die wet over eenige jaren, bij het heerschen van eenen minder liberalen geest, tot stand gebracht wierd, dan zou men het verschijnsel kunnen zien, dat de census voor de plaatselijke verkiezingen bovenmatig hoog wierd opgevoerd. Men meende dus, dat er eene grens moest worden getrokken, en inzonderheid één van de leden der commissie was van gevoelen, dat die grens zeer bepaaldelijk moest worden uitgedrukt. Die meening zegevierde toen in do commissie niet, maar zij heeft later gezegevierd bij het Regeeringsvoorstel van herziening der Grondwet; toen heb ik daarin wedergevonden diezelfde meening, die ik vroeger in de Commissie bestreden had, dat namelijk de census, om kiezer van leden van den gemeenteraad te zijn, voor iedere plaats op de helft moest worden gesteld van de som, die bepaald zou worden bij de kieswet om in die plaats kiezer te zijn van leden der Tweede Kamer en van de Provinciale Staten. Men wilde, vooral bij de onzekerheid, hoe hoog de algemeenc census zou worden opgevoerd, den plaatselijken census niet aan de willekeur van den wetgever overgelaten; men wilde niet slechts maximum en minimum, men wilde een vasten regel in de Grondwet.

Bij deze overtuiging heb ik noch ten verleden jare, noch nu iets anders durven voorstellen dan hetgeen thans is voorgesteld. En te zeggen, dat men de plaatselijke gesteldheid heeft onderzocht, dit zou zijn meer zeggen dan mijn geweten mij veroorlooft. Er is niets onderzocht, men is afgegaan op die overtuiging, dat de Grondwet gebiedt de helft te nemen van den census, voor de kiezers van leden der 1 weede Kamer en van de Provinciale Staten gevorderd. Tegen dit stelsel hebben de Provinciale Staten geene bezwaren geopperd; want hetgeen door enkele leden in het midden is gebracht, mag inderdaad niet nis een bezwaar van de elf Provinciale Statenvergaderingen worden aangemerkt, noch voor een bezwaar van de meerderheid worden gehouden. In het vorige jaar was, gelijk een der laatste geachte sprekers te recht heeft herinnerd, eene hoofdbeweegreden om den census der gemeenten nog niet te regelen, deze, dat men de Provinciale Staten daarop wilde hooren. Welnu, thans zijn de Provinciale Staten gehoord, en zij hebben geene bedenking ingebracht, noch tegen het stelsel der

Sluiten