Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regeering, noch tegen de uitkomsten, die door het in werking brengen daarvan kunnen worden verkregen. Nu betreur ik wel, dat het onder de uitkomsten van dat stelsel zal behooren, dat een aantal gemeenten wellicht geen vijf en twintig kiezers zullen tellen, maar dit kan, naar mijne overtuiging, de naleving van den zin der Grondwet niet beletten.

De geachte spreker uit Zwolle (de heer Groen van Prinsterer) heeft mij te gemoet gevoerd: „welnu, stel dan voor, de Grondwet op dit punt te herzien". Mijne Heeren, kan men, hetgeen de spreker vraagt, beschouwen als eene eenvoudige zaak, zonder gevolgen? Ik begrijp wel dat er zijn, die aldus gaarne in onze nieuwe orde zagen breken. Maar ik vraag, of in den tegenwoordigen toestand de Regeering zich geroepen mag achten op elk punt, waaromtrent zij wellicht eene verbetering der Grondwet wenschelijk zou keuren, zoodanige verbetering voor te stellen? Zulk een voorstel zal zeer vele andere voorstellen wekken, en is het nu, terwijl wij in den arbeid van de organieke wetten zijn, geraden, dien arbeid te staken, en, waar het niet volstrekt noodzakelijk is, tot dat uiterste middel zijne toevlucht te nemen? Volstrekte noodzakelijkheid komt mij voor hier niet te bestaan, omdat in het bezwaar, dat een aantal gemeenten nu zal ondervinden, zal kunnen worden te gemoet gekomen door vereeniging dier gemeenten.

Een nnder middel, door sommige leden voorgesteld, en dat, mijns inziens, niet is overeen te brengen met de Grondwet, om namelijk in sommige kleine gemeenten af te dalen tot een census van ƒ 10, zou toch niet beletten dat een aantal gemeenten niet deelen zal in de kiesbevoegdheid. De geachte afgevaardigde uit Utrecht (de heer van Doorn) heeft gezegd, dat, wanneer het stelsel van zijn amendement wierd aangenomen, 127 gemeenten binnen den kring van de wet zouden worden gebracht. Ik durf niet verzekeren, dat dit met zooveel gemeenten het geval zou zijn, want ik heb het niet onderzocht; maar zooveel is zeker, dat een groot, althans een niet zeer klein aantal gemeenten, altijd zou blijven buiten hèt minimum, voor het aantal kiezers bepaald. Daarin nu, ik herhaal het, zal kunnen worden te gemoet gekomen door vereeniging, ook uit anderen hoofde heilzaam en noodig.

Het amendement van den lieer v. Nispen wordt met 4-rt tegen '20 stemmen afgekeurd.

In de meening dat door het verwerpen van het amendement van den lieer van Nispen omtrent liet beginsel, waarover de strijd liep, nog niet stellig werd beslist, stelt de lieer van Doorn voor een afzonderlijk art., van gelijken inhoud als het amendement-van Nispen bevatte, in te voegen.

Ik ben te goeder trouw in de meening geweest, dat bij de stemming van de Vergadering over het amendement van den heer van Nispen van Sevenaer, het lot van dit amendement reeds was beslist. De inhoud

Sluiten