Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 23. ïncompatibiliteiten. Het ontwerp in litt. /*, de betrekking van „ambtenaar, van wege het gemeentebestuur aangesteld" onvereenigbaar verklarend met het lidmaatschap van den Raad, sloot daarmede ook ,.genees-, heel- en verloskundigen, die met de armenpraktijk belast zijn", uit. De heer Westerholl stelt voor aan het slot van het artikel ten aanzien van dezen eene uitzondering op te nemen.

Ik geloof nauwelijks noodig te hebben, den vorigen spreker (den heer Engelen) en inzonderheid den geachten voorsteller van het amendement (den heer Westerhofi'), te verzoeken niet toe te geven aan den indruk, dien dit voorstel van de Regeering op hen schijnt te hebben gemaakt; een indruk door den geachten voorsteller beschreven bij den aanvang zijner rede, een indruk alsof de Regeering hier een blijk van minachting had gegeven jegens den stand van de geneeskundigen. Ik geloof dat ik niet noodig zal hebben dien indruk tegen te gaan, en in allen geval gemakkelijk den dunk te kunnen wegnemen, alsof in dit voorstel zoodanig blijk zelfs van verre zou zijn gegeven. De geachte voorsteller van het amendement heeft zich laten beheerschen door hei persoonlijk gevoel van een hoogachtenswaardigen geneeskundige, die zich en zijn stand aangetast achtte; maar in het voorstel van de Regeering komen de geneeskundigen niet voor als geneeskundigen. Zij komen daarin voor als ambtenaren en in zoover zijn zij gelijk gesteld met allen, die als ambtenaren ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. De geachte voorsteller heeft aan het slot zijner rede gezegd: indien er nadeelige gevolgen voortspruiten uit de benoeming van armenartsen tot leden van den Raad, men late dit ter verantwoording der kiezers; men behandele de kiezers niet als minderjarigen. Mijne Heeren, dit te zeggen, is krijg voeren tegen het systeem der Grondwet, tegen het stelsel van de kieswet en tegen dat van de provinciale wet. Wat is het beginsel te dezen aanzien bij al die wetten aangenomen? Dit, dat men uitsluitingen voorschreef van de zoodanigen die in het algemeen door den gezonden zin van de kiezers zouden worden uitgesloten, al ware hunne uitsluiting niet voorgeschreven in de wet. De wetgever heeft gemeend zoodanige uitsluitingen te mogen en te moeten bepalen, en geen andere regel is het, die hier gevolgd wordt ten aanzien van al de ambtenaren, van wege het gemeentebestuur aangesteld en aan het gemeentebestuur ondergeschikt. De geachte spreker, die den voorsteller van het amendement heeft ondersteund, meende, dat eene voorname reden, die het Gouvernement kon hebben bewogen om de armendoctoren uit te sluiten, deze was: de Raad zal, wanneer de armendoctor lid van den Raad kan worden, in het lid of in de leden, welke die bediening bekleeden, een deel van zijne onafhankelijkheid kunnen verliezen. De Regeering twijfelt echter niet hieraan, of armendoctoren hun onafhankelijken zin van gemeenteburgers, van staatsburgers kunnen behouden. Maar de Regeering heeft gevraagd: is lidmaatschap van het gemeentebestuur vereenigbaar met den stand van

Sluiten