Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den aan dat bestuur ondergeschikten ambtenaar, op wiens plichtbetrachting door datzelfde bestuur toezicht moet worden uitgeoefend? De geachte spreker heeft gezegd: de betrekking van armendoctor is niet zoo aanlokkend, zij is meer een last dan een voorrecht. Ik heb in eene gemeente gewoond, alwaar ik, als lid van den Raad, gedurende eene reeks van jaren vele bezoeken ontving van artsen, die naar de betrekking van armendoctor stonden, en die mijne tusschenkomst inriepen ten einde met die betrekking te worden begunstigd. Uit mijne ondervinding in mijne tegenwoordige betrekking, zou ik eene menigte voorbeelden kunnen bijbrengen, ook van geneeskundigen ten platten lande, die de betrekking van armendoctor wenschten te erlangen, of waar ze onvereenigbaar was met de betrekking van burgemeester of assessor, te mogen behouden.

Ik kom nu tot de hoofdreden van den geachten voorsteller van het amendement. Hij heeft geoordeeld, dat de Regeering de armendoctoren beschouwde als loontrekkende ambtenaren en ze als zoodanig heeft willen uitsluiten. Hij heeft gewezen op het geringe loon dat in sommige kleine gemeenten ten platten lande aan deze bediening is verbonden. Maar dit is dan toch alleen toepasselijk op sommige, ik wil zelfs zeggen op vele, niet op alle armenartsen. Het is evenwel niet om die belooning dat zij worden uitgesloten, maar inzonderheid daarom, omdat de vrijheid zou worden belemmerd van het toezicht, van wege het gemeentebestuur te houden op de uitoefening van de aan de armenartsen opgedragen armenpraktijk. Vooreerst zou, wanneer het amendement in de wet werd gebracht, een lid van den Raad tevens met de geneeskundige behandeling van de armen kunnen worden belast. Waren er nu meerderen, die verlangden de betrekking van armenarts te erlangen, dan zou de geneeskundige, die lid van den Raad was en er naar dong, een voorrang hebben boven de andere artsen van de gemeente. Het lid van den Raad, die betrekking vragende, zal die eer kunnen erlangen dan zijne mededingers, die geene leden van den Raad zijn. Er zou dus, in dit opzicht, geene gelijkheid zijn. Maar in de tweede plaats. De armenarts ontvangt van wege het gemeentebestuur eene instructie. Gesteld nu, hij vervult zijne betrekking slecht; gesteld, er komen klachten over hem in, en het zal den geachten voorsteller van het amendement gewis niet onbekend zijn, dat er te dezen opzichte in zeer vele gemeente klachten, te recht of ten onrechte, gehoord worden. Welnu, wordt dan niet het toezicht van het gemeentebestuur over den armenarts verzwaktr wanneer de man, die gecontroleerd, misschien wel te recht gewezen of ontslagen behoort te worden, tevens lid is van de gemeentevertegenwoordiging? Daarom heeft de Regeering deze ambtsbetrekking niet bestaanbaar geoordeeld niet het lidmaatschap van de gemeente vertegenwoordiging. De gemeentevertegenwoordiging, vooral het uitvoerende deel, de burgemeester met de wethouders, moet zorgen, dat al de plichten, aan de gemeentelijke

Sluiten