is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 39, alinea 2, der provinciale wet luidt: „Het is hun verboden, middellijk of onmiddellijk, aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie", en art. 57: „Het is hun verboden, middellijk of onmiddellijk, aandeel te hebben in pachten, leveringen of aannemingen ten behoeve der provincie". Hieraan zal het opstel van dit artikel, zooveel mogelijk, gelijk moeten blijven.

In de tweede plaats zal ik verzoeken, dat zij, die voor de amendementen van den geachten spreker uit Nijmegen (den lieer De Man) mochten zijn, reeds nu bedenken, of zij datgene, wat zij wenschen te vergunnen aan de leden van den Raad, ook wenschen te verleenen aan den burgemeester, den secretaris en den ontvanger. In dit ontwerp is het verbod ook tot die personen uitgestrekt.

Na deze aanmerkingen heb ik de eer voor te stellen, het artikel, in mijn zin gewijzigd, in de laatste alinea te lezen als volgt: „middellijk, noch onmiddellijk deelnemen aan onderhandsche pachten der gemeentegoederen of inkomsten, aan leveringen of aannemingen ten behoeve van de gemeente, aan het koopen van betwiste vorderingen ten laste der gemeente".

In het andere geval, in den zin van den geachten spreker uit Nijmegen, zou het mij voorkomen, dat het artikel moest luiden op deze wijze. Ik herhaal hierbij wat ik reeds gisteren zeide, dat ik mij verplicht acht, eene redactie voor te stellen die strekken kan, om de wet zoo goed te maken, als mogelijk is, zelfs dan wanneer zij mocht worden geamendeerd tegen mijnen zin, tegen den geest, waarin, naar mijn inzien, de wet moet zijn vervat. In den zin van den geachten spreker zou het mij al zoo voorkomen, dat de laatste alinea van art. 24 dus zou moeten luiden:

„noch middellijk, noch onmiddellijk deelnemen, hetzij aan onderhandsche overeenkomsten van pacht der gemeentegoedcren of inkomsten, van leveringen of aannemingen ten behoeve der gemeente, hetzij aan het koopen van betwiste vorderingen te haren laste".

Op Voorzitter: Is liet de bedoeling van «Ion lieer Minister om de voorgestelde veranderingen als eene wijziging van regeeringswege in liet ontwerp op te nemen ?

Ik verklaar mij niet tegen het eerste amendement van den heer De Man, Mijnheer de Voorzitter; ik kan wel toestemmen, dat voor die wijziging inderdaad veel grond is.

De Voorzitter vraagt nogmaals of de Minister die wijziging dan in de wet opneemt.

Neen, Mijnheer de Voorzitter, ik doe dat niet; ik geel'slechts mijne meening te kennen over het amendement.