Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOU de goede verstandhouding verstoren, die tusschen den Raad en den burgemeester moet heerschen. De gewone controle van de gemeentebesturen moet, mijns inziens, bij de Ged. Staten zijn; de bevoegdheid om die uit te oefenen is hun geschonken door de Grondwet en wordt bij deze wet ontwikkeld.

De heer van Goltstein komt terug.

De geachte redenaar heeft gezegd, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken verantwoordelijk moet zijn voor de uitvoering van de wet Ik meen, de Minister van Binnenlandsche Zaken moet waken voor de uitvoering der wet, voor zooveel van hem afhangt. Wanneer die verantwoordelijkheid echter zoover wordt uitgestrekt, dat men ook in dit opzicht de handelingen van het gemeentebestuur door den Minister van Binnenl. Zaken wil hebben gewaarborgd, dan zal die Minister moeten eischen, dat de mededeeling van deze verordeningen aan hem geschiede. Maar dit zal de zaak niet bekorten, en men gaat van den weg af, dien de Grondwet voorschrijft. De Grondwet draagt het toezicht over de gemeentebesturen op aan de Gedeputeerde Staten: deze hebben volgens de Grondwet, in de eerste plaats het toezicht, en in de laatste plaats komt de zaak bij den Minister. De Minister is dan verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet, in dien zin namelijk, dat hij gebruik make van het middel, dat de wet hem aan de hand geeft om, ten aanzien van met de wet strijdige verordeningen, aan oen Koning de cassatie voor te dragen.

Het amendement van <len lieer Anemaet wordt met 52 tegen 11 stemmen verworpen.

Art 35 Uitspraak van Gedep. Staten, ambtshalve, omtrent de beslissing van den Raad over de toelating van leden. Men kon, volgens den heer van Goltstein, de beslissing overlaten aan den Raad met recht van beroep op een hooger gezag.

De geachte spreker (de heer van Goltstein) zegt: neemt het artikel uit de wet en de wet en hare beginselen blijven. Ik zeg daarentegen: neemt het artikel weg en gij zult een waarborg voor de uitvoering van de wet uit die wet wegnemen; gij zult, mijns inziens, inbreuk maken op de beginselen der wet. De geachte spreker heeft zelf erkend dat het noodzakelijk is, dat men van de beslissing ten aanzien van de toelating of met-toelating van leden van den Raad bij een hooger gezag in beroep kunne komen. Hij heeft daardoor, zoo liet mij voorkomt, omver gestooten het betoog, dat hij in het begin van zijne rede uit eene vergelijking met de Provinciale Staten en de Kamers der algemeene Vertegenwoordiging getrokken heeft. De Kamers der algemeene Vertegenwoordiging en de vergaderingen der Provinciale Staten leveren een gansch anderen waarborg op dan de meeste gemeenteraden, i horheckk , Parlementaire redevoeringen, 1850—1851. -jo

Sluiten