Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelen, eene raadsvergadering verlangen, de burgemeester die zou beletten. Maar om die eenparige strekking van uitvoering, dietusschen burgemeester en wethouders behoort te bestaan, te verzekeren, vooral om de gepastheid, dat, wanneer eenige leden van den Raad het recht bezitten den burgemeester tot het houden eener vergadering te nopen, het college van burgemeester en wethouders gelijke bevoegdheid hebbe, geloof ik dat het amendement van den geachten spreker in de wet kan worden opgenomen.

De heer van Eek vraagt of na de wijziging, ten gevolge van het amendement Smit, in art. 4 van het ontwerp gebracht, liet getal van 20,000 in dit artikel niet moet worden gewijzigd in 15,000.

Ik ben op dit oogenblik buiten staat een antwoord te geven, dat mij zeiven voldoende zou voorkomen. Ik heb het cijfer der leden van de gemeenteraden, zoo als het ten gevolge van het amendement van den heer Smit is vastgesteld, niet onder het oog.

Vindt de geachte spreker, die de lijst, zoo als die nu is vastgesteld, nagegaan zal hebben in verband met art. 40, geen bezwaar in de verandering, die volgens hem zal moeten plaats hebben, dan zal ik mij, daar het hier geen beginsel geldt, niet tegen zijn denkbeeld verklaren. Maar twijfelt de geachte spreker, dan zou ik wenschen, dat men de behandeling van art. 40 uitstelde tot morgen. Dan had men gelegenheid om de artikelen te vergelijken.

Het amendement van den heer De Man wordt met 39 tegen 23 stemmen aangenomen.

Art. 41. Het beleggen van de vergaderingen van den Raad wordt ter openbare kennis gebracht. De heer De Man wenscht op deze verplichting eene uitzondering te maken voor „spoedeischende gevallen". Is het noodig te voorzien in het geval dat de burgemeester, hoewel daartoe verplicht, weigert eene raadsvergadering te beleggen? Amendement van den heer Jongstra in dien geest.

Ik meen bij de discussie over het voorgaande artikel een nieuw blijk te hebben gegeven, dat ik zeer toegankelijk ben voor amendementen, wanneer daartegen bij mij geene overwegende redenen bestaan.

Tegen de aanneming van het eerste amendement, door den geachten afgevaardigde uit Almelo (den heer De Man) op dit artikel voorgesteld, bestaan echter, naar mij voorkomt, wel overwegende redenen. Ik vrees, evenals de voorgaande spreker (de heer Ter Bruggen Hugenholtz), dat men door zoodanige bepaling in de wet de deur zal openen voor zeergroote en zeer menigvuldige misbruiken. Bovendien, het amendement komt mij geheel onnoodig voor. De geachte voorsteller heeft gezegd: er zal in spoedeischende gevallen geen tijd zijn om het beleggen der vergadering ter openbare kennis te brengen. Maar, mij dunkt, er is altoos tijd genoeg om het uur, waarop de vergadering wordt gehouden,

Sluiten