Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehecht, waarin door den geachten spreker, voorsteller van het 2de amendement (den heer van Nispen), laatstelijk van verrassen is gewaagd. Bij de toekomstige leden van den Raad mag men meer kennis, meer toenemende kennis ten minste van de gemeente-aangelegenheden onderstellen, dan tot dusver kon plaats vinden. Een onderwerp, in den gemeenteraad te behandelen, zal nu niet zoo licht geheel vreemd zijn.

De geachte spreker uit Nijmegen onderstelt, dat de bepaling, in de lste alinea voorkomende, in de wet zou zijn gebracht om tegen een mogelijk misbruik te waken. Dit is de reden niet. De reden is deze, dat het mij natuurlijk voorkwam, dat men, in tijds wetende waarover de Raad zou beraadslagen, hiervan aan de leden kennis gaf. Het kwam mij nuttig voor, dat zij vóór hunne komst in de vergadering, zooveel het kan, weten waarover zal worden gehandeld. Is het mogelijk dat de orde van den dag bekend zij, dan is dit zeker wenschelijk. Maar uit dien hoofde te verlangen dat er over geene andere zaken zal mogen worden beraadslaagd, dan onder zulke benauwende, beperkende voorwaarden, als hier worden geëischt, schijnt mij overdreven. Het wordt, dunkt mij, door den aard der zaak geenszins gevorderd. Ik meen dus, dat, zoo men al iets verlangt, niets anders zal behoeven te worden voorgeschreven dan dat het reglement van orde zoodanigen waarborg zou kunnen bevatten. Daarin zou dan, voor de bepaling van de lste alinea eene sanctie, die zij echter naar mijn inzicht niet behoeft, kunnen worden verkregen; eene sanctie, die aan den geachten spreker uit Nijmegen noodig voorkwam, omdat hij de woorden van den tweeden volzin der lste alinea beschouwt als gericht tegen een mogelijk misbruik, hetgeen evenwel in den zin van het ontwerp zoo niet is.

Het amendement van den heer v. Nispen wordt met 50 tegen 8, dat van den heer De Man met 47 tegen 17 stemmen verworpen.

Art. 52. Stemming. Deze geschiedt bij „het doen van keuzen of voordragten van personen bij besloten en ongeteekende briefjes". De heer Baud wil hieraan toevoegen: „en is art. 46 niet toepasselijk".

Het amendement, zoo als het geformuleerd is, zou ik niet durven ondersteunen. Ik kan geenszins ontkennen, en dit zal wel niemand doen, dat bij eene stemming met besloten briefjes de betrekking van de personen, die stemmen, tot de personen, waarover gestemd wordt, of laat ik liever in het algemeen zeggen, tot het onderwerp, waarover gestemd wordt, niet altijd zoo aanwijsbaar, zoo bewijsbaar is nis in andere gevallen, waarin het niet in de eerste plaats op een bepaald individu aankomt. Maar moet daarom de toepasselijkheid van het voorschrift van art. 46 hier worden weggenomen? Dit geloof ik niet, omdat het voorschrift altijd een zedelijken band geeft. Hij, die bij eene zaak een persoonlijk belang heeft, zal weten dat hij de beslissing daarover aan anderen moet laten. Maar in de tweede plaats, waar

Sluiten