Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,n'J n'ct begrijpen, met een beginsel van goede wetgeving te strooken• te wenschen, dat de wet of geheel of half moge worden uitgevoerd uitgevoerd met eene zwakke, flauwe hand, kan, dunkt mij, niet overeenkomen met hetgeen men mag verwachten van eene goede, deugdelijke. vaste Regeering. Ik moet er nog ten slotte dit bij voegen, dat ik het verwijt van, zooals de geachte spreker het noemt, algemeene stelselmatigheid, gericht tegen deze wet, tegen dit Gouvernement en tegen mij in het bijzonder, — dat ik dit verwijt niet van hem had verwacht. Ik meen zoo dikwijls van den geachten spreker te hebben vernomen, dat hij de liberale partij met zich zelve in onvermijdelijke tegenspraak acht, zoodra deze zich begint te constitueeren en te organiseeren, en nu door dien geachten spreker, bij dien arbeid van organisatie, aan die liberale partij, aan dat liberale Gouvernement, aan dien liberalen Minister, het verwijt van eene te systematische inrichting te hooren doen, — ik erken het, dit heeft mij bevreemd, en dat doet mij denken, dat de geachte spreker van zijn vroeger denkbeeld, dat het voor een liberaal Gouvernement onmogelijk zou zijn iets tot stand te brengen, langzamerhand begint terug te komen.

Het amendement van den heer Groen wordt met 56 tegen 0 stemmen verworpen.

Art. 1(>1. De Raad kan op overtreding zijner verordeningen . . . geldboete van ten hoogste f 25 stellen. De heer Provó Kluit stelde voor: f 50.

De geachte spreker uit de hoofdstad (de heer Provó Kluit) heeft, op een grond die reeds in het verslag dezer Kamer is vermeld en waarop bij de memorie van regeeringswege is geantwoord, eene verdubbeling van de hier voorgestelde boete in bedenking gegeven.

Ik zal nu niet herhalen wat reeds daaromtrent in die memorie van beantwoording is gezegd, dat men namelijk niet het oog moet hebben op bijzondere gevallen, langs welken weg men de boeten in het oneindige zou kunnen vermeerderen, waartoe, zoo het mij voorkomt, het stelsel van den geachten voorsteller ook zou moeten leiden. Maar ik zal de aandacht van de Vergadering vestigen, vooreerst op de wet van 1818. Die wet stelt de boete van ƒ 50 ten hoogste, als op te leggen, zoo zij dit goedvonden, door de besturen van steden welke één of meer leden van de Provinciale Staten voor den stedclijken stand, en meer dan 5000 inwoners tellen. In dit geval zijn geen honderd gemeenten van het Land, en terwijl nu deze bevoegdheid, bij de wet van 1818, alleen en uitsluitend aan die steden was voorbehouden, zou men thans volgens het voorstel van den geachten spreker, die bevoegdheid moeten' uitstrekken tot al de gemeentebesturen, ook van de kleinste gemeenten. Ik geloof, Mijne Heeren, dat dergelijke verhooging het doel niet zou treilen, en integendeel, aanleiding zou geven van de zijde van de gemeenteraden, die toch in het algemeen niet als zoo bijzonder bekwame

Sluiten