Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer van Lijnden komt terug.

Ik moet den geachten spreker herinneren dat hetzelfde beginsel, dat hier wordt voorgesteld, reeds door de Vergadering is aangenomen bij gelegenheid dat behandeld zijn de bepalingen omtrent zoodanige besluiten van gemeentebesturen, ten gevolge waarvan, tot regeling van gemeenschappelijke belangen, in onderhandeling zou worden getreden met andere gemeenten. Ook toen heeft men op dezelfde gronden, waarop dit voorstel steunt, noodzakelijk gekeurd: machtiging tot en daarna goedkeuring van die maatregelen door Gedeputeerde Staten.

Ai t. 203. Aanbieding der begrooting ium den Raad, vier maanden vóór den aanvang van tiet jaar waarvoor zij moet dienen. De lieer Be Man stelt voor te schrijven: „uiterlijk vóór I October" en wenscht den tijd tot kennisneming voor het publiek, in het ontwerp op ten minste veertien dagen gesteld, tot acht «lagen te verminderen.

Het voorname verschil tusschen den geachten spreker uit Nijmegen en het wetsontwerp, bestaat in ééne maand. In plaats van ongeveer den eersten September, zal, volgens zijn verlangen, moeten worden gesteld: uiterlijk op 1® October. De geachte spreker zegt tot ondersteuning van die wijziging: hoe later de begrooting wordt ingediend des te beter. Dat moet inen, geloof ik, in het algemeen erkennen. Ware het mogelijk den termijn te stellen zóó, dat de begrooting eerst werd aangeboden in de maand December, het zou nog beter zijn. Maar tegen het zeer laat stellen verzetten zich eischen, die, geloof ik, zich ook verzetten tegen het stellen op 1 October. De genchte spreker zegt: het is zoo nuttig de administratieve rekening te kunnen nagaan van den loopenden dienst, en ééne maand gewonnen is veel gewonnen. Ik meen, dat die administratieve rekening van den loopenden dienst ook in den herfst hoogst onvolledig zal zijn, zoo onvolledig althans, dat men daarop niet wel zal kunnen bouwen eenig oordeel over de begrooting van het volgende jaar, tenzij bij vermoeden. Het tijdperk van ééne maand, zegt de geachte spreker, is, ook in groote gemeenten, voor het onderzoek dat de Raad moet doen, voldoende. Ziedaar, Mijne Heeren, het hoofdpunt van bezwaar aan mijne zijde. In die ééne maand moet niet alleen de Raad onderzoeken, maar de begrooting moet aan liet publiek worden voorgelegd, en dit laatste zoodanig dat het publiek tijd hebbe om een onderzoek in te stellen en zijne bezwaren tegen de begrooting bij den Raad in te dienen. De leden van den Raad moeten vervolgens individueel den tijd hebben om de voorgelegde begrooting na te gaan. In de groote gemeenten, zal men zeggen, is dit gemakkelijk, daar zal de begrooting gedrukt aan de leden worden toegezonden. Maar in het grootste getal der gemeenten zal dit het geval niet kunnen zijn. In dat grootste deel der gemeenten zullen de leden tot onderzoek der begrooting ter griflie van den Raad moeten komen, en in zeer vele gemeenten zal men niet eens verschillende vertrekken hebben voor het

Sluiten