Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeld kwamen, dat zij niet noodig hadden onder de gemeentelijke uitgaven op te nemen zoodanige uitgaven, als de geachte spreker bedoelt. Ik zou dan ook nu gaarne een zeer duidelijk, zeer verstaanbaar en zeer klinkend woord willen spreken om die dwaling voor altijd tegen te gaan. Maar mij dunkt, dat dit artikel geene aanleiding tot die dwaling kan geven; want, wanneer de door den geaehten spreker bedoelde uitgaven, volgens zijn wenseh, in dit artikel werden opgenomen, zou er meer gedaan worden dan noodig is, en zouden de huishoudelijke uitgaven onnoodig kunnen worden bezwaard. Men moet toch geene aanleiding daartoe geven, dat Gedeputeerde Staten aan de gemeenten zouden kunnen opdringen het onderhouden en het oprichten van verzamelingen voor kunsten of' wetenschappen of van boekerijen. De zaak kan op zich zelve nuttig zijn, maar niet alles wat nuttig is mag onder alle omstandigheden aan de gemeentebesturen bevolen worden. Het zou ook zeer licht kunnen gebeuren, dat de smaak van een of ander college van Gedeputeerde Staten voor kunsten en wetenschappen zeer strijdig ware met den financiëelen toestand van eene gemeente. Het zijn geene uitgaven van dien aard, dat men zeggen kan, dat zij behooren tot het wezen van de huishouding der gemeente, en het onderhouden en oprichten van zulke verzamelingen en boekerijen is ook geene wettelijke verplichting, op welker vervulling de Gedeputeerde Staten moeten bedacht zijn, wanneer het gemeentebestuur ze mocht verzaken. Daarom, Mijne Heeren, zou ik zwarigheid maken om dergelijke uitgaven hier in dit artikel te vermelden, zonder echter daardoor iets te willen afdingen op het gewicht, dat de spreker aan de door hem bedoelde instellingen hecht, en op de wenschelijkheid om ze daar tot stand te brengen, waar de middelen der gemeente dit maar eenigszins toelaten.

Bedoelt art. 212 aan Gedeputeerde Staten het reclit te geven, de bij art. 205 genoemde uitgaven op de begrooting dei' gemeente te brengen, dan wel is in eerstgemeld artikel alleen sprake van uitgaven, welke door de algemeene wetten in het algemeen belang aan de gemeente worden opgelegd?

Die vraag komt inderdaad laat. Ik dacht, dat de vraag beantwoord was door het artikel zelf, door de schriftelijke discussien en door de diseussien hier. Hetgeen bij eene andere wet ten aanzien van audere uitgaven is vastgesteld, is door deze wet, in art. 205, voor dergelijke uitgaven als daar zijn opgenomen, bepaald. Gesteld: eene gemeente heeft een commissaris van politie en de Raad stelt de bezoldiging van dien commissaris van politie niet op de begrooting, dan zullen de Gedeputeerde Staten de macht hebben om die bezoldiging wel op de gemeentebegrooting te brengen. Dat is de strekking, en er kan ook geene andere strekking zijn, dan die van liet gelijkluidend artikel van de provinciale wet. In het andere geval zou het art. 205 slechts eene bloote nuttelooze nomenclatuur van uitgaven zijn, die dan nog

Sluiten