Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A Mei. Titel VI. Plaatselijke belastingen. Algemeene beraadslaging. »c ieei van Hall stelt voor, daar van regeeringswege in dezen titel eeiie wijziging werd ingezonden, welke, naar hij meent, op de denkbeelden van velen omtrent de voorgestelde bepalingen van invloed kon zijn, de beraadslagingen een dag uit te stellen.

Ik mag de Vergadering niet adviseeren zich te vereenigen met het voorstel van den geaehten spreker uit de hoofdstad (den heer van Hall). Het komt mij voor, dat deze wijziging, die in het stelsel van het ontwerp geene verandering hoegenaamd brengt, ook niet van invloed zijn kan op zoo menigerlei beschouwingen als ten aanzien van dat stelsel kunnen en misschien zullen worden geopperd. Hetgeen bij deze wijziging wordt voorgesteld, is niets anders dan hetgeen óók van kracht zoude wezen, wanneer het nieuwe artikel niet kwam in de wet. Het artikel zegt: dat bij bijzondere wetten de gemeenten worden aangewezen in wier belang, uit hoofde van bijzondere omstandigheden, bijzondere regels kunnen worden gesteld. Maar dit zou altoos kunnen gebeuren ten aanzien van bijzondere gemeenten, zelfs al werd dit niet gezegd J. deze \vet intusschen, opdat men zich zoude herinneren dat dit gebeuren kan, opdat men dit meer voor oogen zou hebben, is het misschien niet kwaad zoodanig artikel in de wet te stellen. Het kan nuttig zijn, vooral ook om wel af te scheiden de taak van zoodanige bijzondere wetten van hetgeen aan het Gouvernement des Koning verblijft. Wanneer men de zaak niet bepaald regelt, zooals nu wordt voorgesteld in het nieuwe artikel, zouden de begrippen zeer kunnen uiteenloopen, omtrent hetgeen zoodanige dispensatoire wet zou moeten coen- Ifet artlkel zegt: dat bijzondere wetten zullen aanwijzen de cementen, in wier belang, uit hoofde van bijzondere omstandigheden afwijkingen van de bij de wet gestelde regels zullen kunnen plaats vinden. De taak van den wetgever is dus bepaald tot de aanwijzinq van die gemeenten; de regeling van de afwijkingen verblijft aan de macht daartoe bij de Grondwet aangewezen. Vermits hier alzoo °-eene verandering wordt gebracht in het stelsel van het ontwerp, bestaat er ook, naar het mij voorkomt, geen genoegzame grond tot het uitstel door den geaehten spreker uit de hoofdstad voorgeslagen.

I)e heer Provó Kluit .1 ringt aan op voortzetting der beraadslaging, onder inededeeling evenwel, dat hij den geheelen titel in behandeling zal moeten nemen, alr,of het nieuwe artikel niet door den Minister wure voorgesteld.

Het komt mij voor, dat de geachte spreker (de heer Provó Kluit) volstrekt niet verhinderd zal worden die beschouwingen voor te dragen cie hij aan de ergadering wil mededeelen en waarvan hij laatstelijk leeft gewaagd. De geachte spreker zegt, dat hij de mededeeling van die beschouwingen niet afhankelijk kan maken van de nu voorgedragen wijziging. Maar ik stel mij voor, dat die beschouwingen inderdaad van

Sluiten