Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belastingen willen invoeren en men zal de goedkeuring van het Gouvernement voor die belastingen vragen. Wat zal nu het Gouvernement doen? Tegenover het gebod van de Grondwet, hetwelk zegt: de wet zal algemeene regels voor de gemeentebelastingen geven, kan de Konin^ den regel van goed- of afkeuring, dien hij zal volgen, niet voorschrijven bij een algemeenen maatregel van inwendig bestuur. Zoolang nu de wet zwijgt ten aanzien van die algemeene regels, wat zal dan, wanneer ïonderd, wanneer duizend maal de goedkeuring van belastingen aan den Koning wordt gevraagd, — wat zal de Koning doen ?^ Zal de Koning die goedkeuring verleenen of afkeuren zonder regel ? Gewis niet Het Gouvernement zal de regels niet voorschrijven bij algemeenen maatregel van bestuur. Het zal echter zoodanige regelen in gedachte en voor oogen hebben, en volgens die regelen moeten goed- of afkeuren, liet kan niet anders, of het zou eene niet redelijke handelwijze zijn. Het nieuwe belastingstelsel zal derhalve naar regels worden ingericht; en de vraag is slechts: of de wet die nu geven zal, dan of men eene regeling zal uitstellen, die de Kroon, zoolang de wet zwijgt, gewis zal moeten toepassen? Ik maak hieruit op, dat het nu, bij de nieuwe orde van zaken die zal worden ingevoerd, het rechte tijdstip is om ook die regels bij de wet te stellen.

II. Ik kom in de tweede plaats tot de bedenkingen, die de voorgestelde regeling zelve gelden. Die bedenkingen zijn van zeer onderscheiden aard; ik zal trachten ze onder eenige hoofden samen te vatten. Die bedenkingen zijn vooreerst ontleend uit de Grondwet; men ze<*t: de hier voorgestelde regeling strijdt met de Grondwet. Men zegt inde tweede plaats, de voorgestelde regeling is, de Grondwet daargelaten, niet goed, om zeer onderscheidene redenen, die ik straks één voor één zal beantwoorden.

1°. De voorgestelde regeling is in strijd met de Grondwet; dit is de eerste bedenking. Ik herinner mij, Mijne Heercn, dat strijd met de Grondwet niet zelden aan het Gouvernement is tegengeworpen, wanneer het Gouvernement meende, eene regeling, door de Grondwet geboden, voor te stellen. Die tegenwerping heeft soms — ik wil het niet ontveinzen op mij een treurigen indruk gemaakt. Het was dezelfde tegenwerping, die telkens terugkeerde vóór 1848. De Grondwet scheen toen met te zijn de bron, beginsel van regeling, maar eene onuitputtelijke bron van zwarigheden bij de wetgevende macht tegen elke gewenschte verbetering. Het is eene hoofdreden, een hoofddoel van de herziening der Grondwet in 1848 geweest, de wetgevende macht vrijer te maken, ten einde van hare zijde niet altoos elke verbetering met de Grondwet' als met een schild, te zien keeren. Dit doel schijnt niet bereikt, althans met zoover men zich had gevleid, daar men zich nog altijd op de Grondwet blijft beroepen, om zoodra het eene nieuwe regeling geldt, deze te bestrijden. Zoo is ook nu wederom deze vraag te berde gekomen

Sluiten