Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene vraag van onderscheidene kanten in deze Kamer aangedrongen —: heelt de wetgever uit de Grondwet wel zooveel recht als hij volgens dit ontwerp zou uitoefenen? Neen, zegt men; de wetgever heeft dit recht niet; art. 142. het artikel waarop juist deze regeling berust, zegt: „De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen". Dit artikel, zegt men, wil algemeene hoofdtrekken, maar wil geen stelsel, wil geen voorschrift van een stelsel, wil geene rangorde. In 1844 Mijne Heeren! hebben negen leden van de Tweede Kamer eene herziening van de Grondwet voorgesteld en in dat ontwerp van herziening waren de twee eerste alinea's van dit artikel woordelijk geschreven, zooals zij nu staan in de Grondwet. Dat ontwerp is destijds behandeld in de sectiën; het is daar — hoe zal ik het uitdrukken? — niet met geestvervoering maar met animositeit ontvangen; men heeft ons geene bedenking geschonken. Men heeft een schriftelijk verslag uitgebracht en op dat zeer uitgewerkte verslag is een uitgebreid antwoord gevolgd. Later, in 1848, heeft de commissie, door den Koning benoemd om de Grondwet te herzien, de twee alinea's, zooals die nu in de Grondwet staan, woordelijk overgenomen uit het ontwerp van 1844. Ik heb eenig deel gehad aan het opstel in 1844; ik heb de eer gehad, eenig deel te nemen aan het opstel van 1848; en ik heb noch in 1844, noch in 1848, noch in den tusschentijd, noch sedert 1848, ook niet terwijl ik

mij bezig gehouden heb met de proef van toepassing van dit artikel,

ik heb nooit gedacht, dat deze bedenking kon worden geopperd; ik heb nooit gedacht, dat dit artikel eene zoo uitsluitende beteekenis kon hebben. Ik heb, na hetgeen ik nu gehoord heb over dit artikel, op nieuw de overtuiging erlangd, dat onder alle moeilijke dingen in deze wereld er geen moeilijker is, dan het opstellen van wetten; dat het, hoe stellig men zich ook meent uit te drukken, onmogelijk is te voorzien, hoe het zal worden verstaan. I)e taal, de uitdrukking, buiten de wet duidelijk, schijnt, in de wet gebracht, telkens aan oneindig misverstand blootgesteld. Ik heb gemeend, èn bij het voorstel van 1844, en bij het voorstel van 1848, èn sedert dien tijd, dat de uitdrukking blijkbaar algemeen is, dat zij niets uitsluit, dat zij niet uitsluit een stelsel, eene rangorde, noch ook den wetgever dwingt om eene rangorde voor te schrijven, maar hem vrij laat te regelen door algemeene regels, zooals hij oorbaar zal vinden.

Men heeft gewezen op alinea 1 van art. 142, zeggende: „Hetbesluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting wordt voorgedragen aan de Staten zijner provincie, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven". Men heeft gezegd, dat deze bepaling niets anders is dan eene bevestiging van de huishoudelijke vrijheid der gemeentebesturen, gegeven bij art. 140 van de Grondwet; dat die eerste alinea het hoofdbeginsel behelst, en dat de tweede alinea, waar gelezen wordt: „de wet geeft algemeene regels ten aanzien der

Sluiten