Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke voorwaarden alleen sommige belastingen, accijnsen bijv., zullen kunnen worden toegelaten? Wanneer de wetgever het meerdere kan, waarom zou hij het mindere niet kunnen? Dit is ééne vraag, Mijne Heeren, die ik doe aan de tegenstanders, welke ik beantwoord. Maar ik doe eene tweede vraag, en deze beeft inzonderheid betrekking tot het door hen ingeroepen algemeen belang. Waarom wordt, volgens de Grondwet, hoogere goedkeuring vereischt op de begrooting der gemeentebesturen? Waarom wordt de goedkeuring vereischt op hunne voornaamste burgerlijke rechtshandelingen? Wij hebben de gronden daarvoor behandeld in vorige dagen of weken: de gemeente, en niet alleen de gemeente zooals zij op het oogenblik bestaat, maar de gemeente als blijvend lichaam voor het vervolg, moet bescherming hebben tegen misvatting, tegen dwaling, tegen verkeerdheden van het besturend personeel. Wanneer dit nu noodig is, wanneer de Grondwet dit gewild heeft ten aanzien van de begrooting voor één jaar, ten aanzien van de burgerlijke rechtshandelingen, zou het dan tegen het algemeen belang zijn, wanneer de wetgever trachtte de gemeenten te vrijwaren tegen misvatting, tegen verkeerdheid van het zittend bestuur, in zaken van finantiën, in zaken van belasting? Is misvatting, dwaling daar dan zoo uitstekend moeilijk? Is de finantiekunst zóó algemeen verbreid en zóó helder, dat men gelooven mag, dat zij naar behooren gevonden zal worden ook bij de beste gemeentelijke vertegenwoordiging, en deze geen gids zal behoeven? Mij dunkt, Mijne Heeren, indien men in deze verlichte Vergadering heeft hooren twisten over de voorkeur en werking eener belasting, dan mag men wel aannemen, dat ten aanzien van dit gewichtig gedeelte van de huishouding algemeene regels te pas komen, tot bescherming van de gemeente tegen wanbegrip of andere feilen harer tijdelijke vertegenwoordiging.

Ik keer nu voor een oogenblik terug van het algemeen belang tot hetgeen men noemt gemeentelijke vrijheid. Ik wenschte wel, Mijne Heeren, dat men op dit punt, gelijk op andere punten, die reeds zijn voorgekomen en die nog zullen voorkomen in het vervolg, vrijheid van willekeur onderscheidde; dat men wilde onderscheiden plaatselijke eigenaardigheid van plaatselijken eigenzin van het bestuur van den dag; dat men verschil van meening onderscheidde van den grond waarop dat verschil berust. Of een gemeentebestuur al anders denkt over zekere belasting, daaruit blijkt nog niet, dat in de plaatselijke gesteldheid grond voor dat verschil van denkwijze te vinden is.

In de tweede plaats zegt men: de voorgestelde regeling is niet goed vanwege de uniformiteit; het is ongerijmd, één belastingstelsel te willen aannemen voor 1200 gemeenten. Mijne Heeren, wat doet dit ontwerp? Waarin bestaat het stelsel? Mij dunkt, dit stelsel bestaat, voor zooverre de deelen, waarop het nu aankomt, betreft, in deze vier hoofdpunten: Vooreerst, wijst het ontwerp de soorten van belasting aan, die in de gemeenten kunnen worden toegelaten; in de tweede plaats,

Sluiten