Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier was voorgelezen, heb gezegd, dat het geene verandering bracht in het stelsel, dat het, mijns inziens, slechts in dc wet uitdrukte wat ook dan gelden zou, wanneer het artikel niet in de wet stond Daartegen ƒ door den geachtcn spreker uit Friesland beweerd, dat dit artikel de wet bedierf. Het groote kwaad, heeft die geachte spreker gezegd is de opvoering van dc accijnsen. Mijne Heeren, het is niet • een de opvoering van de accijnsen in sommige gemeenten, die een zoo groot kwaad is; maar de algemeen verspreiding van de ^cijnsen zonder evenwel volstrekt algemeen te zijn. Het ontwerp van wet bedoelt -( nderheid in dat opzicht afschaffing, geenszins alleen matiging zooals daar, waar de accijnsen niet kunnen worden gemist, maar tegenwoordig te hoog zijn. Nu zegt de geachte spreker, dat het nieuwe art. 25-5 den weg opent om die te hoog opgedreven accijnsen vervolgens op die ïoogte te laten of verder op te drijven. Art. 255 is, volgens hem uit dien hoofde onaannemelijk. Mijne Heeren, ik zal straks nog gelegenheid

mn ' C®n f woord over de werking van dat atikcl te ze^en zooals ,k die werking bedoel. Ik zal nu alleen zeggen, dat wanneer wordt toegegeven - en dit doet, meen ik, de geachte spreker dat er uitzonderingen zullen moeten worden gemaakt, de deur voor

gesloten01avtdtëW°et ge°PeDd' ^ tW6ede de»r die men

„csloten vindt. Wanneer men eens erkent, dat uitzonderingen zullen

moeten worden gemaakt, dan zal men, geloof ik, moeten toegeven uitzonderingen zonder beperking, zonder andere dan deze redelijke beperking, die van het Gouvernement des Konings wel is te verwachten < a men namelijk niet verder zal afwijken van de regels der wet dan volstrekt noodig is. Ik geloof, dat men, onder die natuurlijke voorwaarde, in die onderstelling aan de bevoegdheid van uitzondering „eene nadere beperking behoeft te stellen.

Tegen dat art. 255 is door den geachten spreker uit de residentie den afgevaardigde uit Zwolle (den heer Groen van Prinsterer) gezegd hoe kon dat artikel indruk maken? Ziet ge niet, dat dit artikel is een van de gewone ministenëele loopjes? Mijne Heeren, ik betwijfel of die uitdrukking kan geacht worden overeenkomstig te zijn met den tn™ van heuschheid - van achting, di. hi„ heo^ht Ik w"e« tS T, . woord niet gericht is tegen mij persoonlijk maar het is o-ónVht egen de betrekking die ik de eer heb te bekleeden. En nu geloof ik

' llLneh miStr;,°°Ï Wanneer Zijn per800n niet wordt aangetast niet a leen het recht heeft, maar verplicht is, daartegen op te komen 1

tot middelen d'ief ^ medebracht- de toevlucht te nemen middelen, die, zoo men ze niet oneerlijk noemt dan tnr>h

Wanne middelen door een eerlijk man niet zullen worden <reteld .inneer nu op dergelijke woorden door den Minister aan zoodanio- lid

geeft hTwa°n[d: ^ W;lntr°Uwen' dat ^ anderen te kennen

de mJ wantrouwen dat g,j onophoudelijk tegen anderen zaait is de maatstaf van het vertrouwen, dat gij zelf verdient, - ik vraag'

Sluiten