is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besturen, onder goedkeuring van het Gouvernement, dan zal de wet inderdaad niets hebben gedaan; dan zal zij voor eene redelijker verdeeling der lasten, zoover van haar afhangt, niet hebben gezorgd; dan zal men in de gemeenten met accijnsen kunnen beginnen, en zullen ook in die gemeenten, waar tot dusverre geen accijnsen bestonden, accijnsen, althans tot 10() opcenten, oprijzen kunnen. Dit zal kunnen gebeuren, de wet zal het hare niet hebben gedaan om het te beletten. Wat zal daarentegen het stelsel van het ontwerp doen? Het zal niet

alleen de plaatselijke accijnsen, waar ze te hoog zijn, matigen, en

wij hebben tegenwoordig plaatselijke accijnsen in '/, van onze 1200 gemeenten, maar het stelsel zal ook ten gevolge hebben, dat de accijnsen in meer dan de helft van die gemeenten, waar ze tegenwoordig bestaan, geheel zullen kunnen vervallen, zoodat het gansche terrein van die gemeenten voor het verkeer, voor het vertier te ecnen male vrij zal worden.

Dat het volstrekt noodig is, Mijne Heeren, op den weg, waarop de gemeentebesturen zich bevinden, te keeren, dat het noodig is nu te eeren, is mijne innige overtuiging. De tegenwoordige toestand is het werk van de gemeentebesturen en van het Gouvernement. Van het Gouvernement in zooverre als dit, gelijk ik de eer reeds had op te nierken, in 1824, 1825 en 1826, zelf door alle middelen heeft aangemoedigd tot het invoeren van accijnsen in de gemeenten, waar die nog met bestonden; van de gemeentebesturen, die, zonder juist over de werking der accijnsen na te denken, er op uit waren om geld te maken, waar dit het gemakkelijkst te vinden scheen. En is het te verwachten in het vervolg, althans vooreerst, dat de mannen, die het meerendeel van onze gemeentebesturen zullen uitmaken, de werking van de accijnsbelasting zullen hebben nagegaan, die verderfelijke werking, die zich over de geheele maatschappij uitstrekt en alleen zichtbaar is voor het oog van den opmerkzamen, van den doordenkenden beschouwer? De heffing schijnt zoo eenvoudig, en men verbergt zich achter die reden, die ik ook met verwondering heb aangetroffen in het betoog van den geachten spreker uit Amsterdam. Het is onmerkbaar zegt men; maar, Mijne Heeren, het kwaad, het vergif dat onmerkbaar is, houdt het op een kwaad, een vergif te zijn?

Te keeren op den weg, waarop men nu is, heeft zwarigheden, zegt men. Ik ontken het niet, wij zullen zwarigheden te overwinnen hebben, maar ik stel daartegenover: vooreerst, dat er nooit eene nieuwe, eene goede zaak is beproefd, zonder dat men zwarigheden te boven moest komen. Ik stel er in de tweede plaats dit tegenover: men heeft gesproken van vertrouwen, van wantrouwen op de nieuwe gemeentebesturen; ik geloof niet, dat eenig verstandig man heeft gedacht, dat de rechtstreeksche verkiezingen op eenmaal enkel verstand, het hoogste verstand aan het roer van de Regeering zouden brengen. Ik geloof, dat zij het uitnemende voordeel hebben, krachten te wekken, maar