Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Titel VI. Hoofdstuk II. Van de bijzondere soorten van plaatselijke belastingen. Algemeene beraadslaging. Amendement van den lieer Provó Kluit de artikels 240—255 te vervangen door één artikel: „Eene afzonderlijke wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen". De regeling in het ontwerp voorgesteld, zegt hij, is voorbarig. Men moet wachten tot men door voortgezet onderzoek vaster grondslagen tot regeling zal hebben verkregen. Daarenboven in velschillende gemeenten zal de ontworpen regeling niet uitvoerbaar zijn. Dit erkent, meent hij, de regeering zelve door de inlasscliing van het nieuwe art. 255 voor te stellen.

Ik zal aanvangen met de laatste redenen door den geachten voorsteller van het amendement in het midden gebracht. De geachte voorsteller heeft gezegd, dat men moet wachten tot de wetenschap tot meerdere rijpheid gekomen is. Het is eene exceptie, Mijne Heeren, die over vijf, tien, twintig jaren met evenveel recht kan worden opgeworpen tegen deze, gelijk tegen iedere wet die met eenige wetenschap in verband staat, en ik geloof dat iedere wet wel in verband zal staan met eenige wetenschap. Het is, heeft de geachte spreker gezegd, in het belang van de Regeering, want die is nu voor vijf jaren gebonden; de hervorming wordt nu voor vijf jaren uitgesteld. Dit berust, gelijk meer dan één betoog van den geachten spreker, op een verstand van art. 291 van bet ontwerp, dat mij schijnt een misverstand te zijn. Wat staat in het art. 291? Dat alle plaatselijke belastingen binnen vijf jaren worden herzien en aan 's Konings goedkeuring onderworpen. Welnu, de belastingen dus die na de invoering van deze wet zullen worden onderworpen aan de goedkeuring van den Koning, zullen worden beoordeeld volgens de grondregelen van deze wet en de geheele hervorming moet zijn afgeloopen binnen vijf jaren. Dit is de bedoeling van het artikel. Het zal kunnen gebeuren, dat hervorming uitblijft tot het einde der vijf jaren, wanneer zoolang gewacht wordt met het voordragen van nieuwe plaatselijke belastingen. Maar de gemeenten, die tot dat uiterste tijdstip wachten, zouden zich zeiven zeer groote schade berokkenen, en de Regeering zal, als dit ontwerp wet wordt, doen wat zij kan om de gemeentebesturen te waarschuwen tegen een dergelijk uitstel. De geachte spreker zegt: het is in het belang van de wet, want dat stelsel, dat ik er gaarne uitgelicht zag, is van twijfelachtige waarde. Dat is de meening van den geachten spreker; maar het is mijne meening, dat dit stelsel heeft eene groote waarde, dat het zal medebrengen een groot getal noodige verbeteringen in de finantiëele huishouding van onze gemeenten. Wat voor hem eene reden kan wezen om de wegneming van dit stelsel te verlangen, kan mij dus niet aan de hand worden gegeven om tot die wegneming te besluiten.

De geachte spreker wenscht, dat de wet worde aangenomen met een groot getal stemmen, en er is geen punt van de rede van den geachten spreker waarmede ik zoo instem als met dat. Maar zal ik nu daarom de wet, die naar mijn inzien goed is, bederven? Mijne Heeren, liever zie ik eene, naar mijne overtuiging, betere wet met minder

Sluiten