Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijdraagt. De geachte spreker is genegen de gemeenten gelijk te stellen met vennootschappen waar het te doen is om winst, waar men in gelijke deelen de lasten draagt en in gelijke deelen de voordcelen trekt.

Ik geloof niet, Mijne Heeren, dat ten aanzien van het beginsel der verdeeling van de lasten de gemeenten verschillen van den Staat. Ik geloof dat, zoo het waar is, dat in het algemeen in de belasting naar de mate van het vermogen moet worden bijgedragen, dit dan ten aanzien van hetgeen voor de behoeften der gemeente behoort te worden opgebracht, evenzeer moet gelden.

De geachte spreker zegt, dat de gedwongen rangregeling strijdig is met de natuur. Maar de geachte spreker heeft zich dien dwang veel te nijpend, veel te knellend voorgesteld. Wat wordt hier voorgedragen? Dat men in de eerste plaats zal heffen die opcenten, die ook nu worden geheven in de eerste plaats; dat men dan, wanneer men tot eene zekere mate die opcenten heeft geheven, zal kunnen komen tot de belastingen op het verbruik, en niet enkel, zoo als de geachte spreker heeft gezegd, tot opcenten op Rijks-verbruikbelasting, maar belastingen op het verbruik, die van een anderen aard zijn dan de belastingen op het verbruik, reeds ingevoerd van 's Rijks wege.

Verbetering, heeft de geachte spreker gezegd, is wcnschelijk, maar deze is niet aannemelijk. Nu heeft de geachte spreker niet gezegd, waarin die verbetering dan moet bestaan. Deze verbetering, die hier wordt voorgedragen, is eene zeer zachte verbetering, maar deze zachte verbetering is op zich zelve onmisbaar om tot meerdere verbetering te komen. Ik meen dat dit gebleken is uit de algemeene beschouwingen, die vroeger hier zijn gewisseld. De geachte spreker heeft wederom de vrijheid van de gemeentebesturen op den voorgrond gebracht, maar de Grondwet wil die vrijheid van de gemeentebesturen niet. Wanneer de Grondwet eischt, dat zelfs eene burgerrechtelijke handeling van de gemeente, dat de begrooting van de gemeente worde onderworpen aan eene hoogere goedkeuring, hoe zou dan de Grondwet kunnen willen, dat niet zoodanige algemeene regelen in de wet gesteld wierden, die dan nog zooveel ruimte, zooveel speling als hier het geval is, aan de gemeenten overlaten. De geachte spreker heeft daarenboven voorbijgezien, dat hetgeen hij een dwang noemt, niet zijnde gelegd bij eene wet, zal moeten worden gelegd door het Gouvernement. Het is onmogelijk, dat het Gouvernement zich niet gedrage naar regelen, geene vaste regelen toepasse bij het goed- of afkeuren van plaatselijke belastingen. Dit is noodig, opdat de handelwijze van het Gouvernement niet zij willekeurig maar rechtvaardig en ook staathuishoudelijk te rechtvaardigen. De vraag komt dus inderdaad alleen hierop neder: zijn deze regelen hier gesteld verstandig? Laten deze regelen zooveel speling dat een kring van beweging worde vrijgelaten aan alle gemeenten, welke ook de behoeften kunnen zijn eener plaats, liet tegendeel is, geloof ik, door niemand aangetoond.

Sluiten