Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voerd, dien normalen toestand l»ij mij niet heeft verduisterd. Integendeel, ik meen ten gevolge van deze discussie te zijn opgehelderd, verder te zijn gebracht in het duidelijk besef van hetgeen de Regeering, ten aanzien van dit gewichtig onderwerp, moet willen en bedoelen.

Het amendement van den heer Bachiene wordt met 41 tegen 24 stemmen afgekeurd, het artikel met 41 tegen 24 stemmen aangenomen.

Art. 245. Moet het verblijf in de gemeente, zal men in den omslag kunnen worden begrepen, drie „achtereenvolgende" maanden hebben geduurd?

Indien de geachte spreker het noodig keurt in de 3de alinea van art. 245 in te lasschen de woorden: „hetzij aanhoudend, hetzij bij afwisseling'', zal ik mij daartegen niet verzetten. Noodig schijnt het mij evenwel niet, omdat de woorden van het artikel, zoo mij voorkomt, volkomen duidelijk zijn. Mij dunkt het artikel is niet wel anders toe te passen dan in den zin waarin de geachte spreker het toegepast wil hebben, hetgeen ook de meening is van het ontwerp van wet, zooals in de memorie van antwoord is te kennen gegeven. Mij derhalve komen de woorden duidelijk voor, en zoo er nu al twijfel te voorzien ware, twijfel dien men zich gaarne veroorlooft in zake van belasting — ik geloof dat die twijfel geheel weggenomen zou zijn juist door de vraag van den geachten spreker en het antwoord nu door mij gegeven, ook in betrekking tot hetgeen reeds in de memorie van antwoord is gezegd.

Art. 246. Plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik. De lieer \an Heiden Reinestein stelt een amendement voor, waardoor accijnsen op wijn en gedistilleerd zullen worden bevorderd. De heer Wintgens klaagt dat de gemeente-accijnsen niet geheel worden afgeschaft.

Dat andere plaatsen haar voordeel mogen doen met dergelijk voorbeeld als door den geachten spreker uit Leiden is voorgehouden, dat ligt juist in het doel, vooral ook van dit artikel, dat de geachte spreker uit de residentie nu bestrijdt. En met welke wapenen bestrijdt hij het artikel? De geachte spreker zou meer verlangen. Hij zou willen, dat hier geschreven stond: alle gemeente-accijnsen zijn afgeschaft. Maar nu dit niet in de wet geschreven staat, nu kan de geachte spreker zich mot dit artikel niet vereenigen. Mijne Heeren, indien het mogelijk, indien het op dit oogenblik denkbaar ware, al de gemeente-accijnsen af te schaffen, ik geloof dat mijne pen de vlugste zou zijn geweest dit in de wet te schrijven. Maar men zal, geloof ik, erkennen, dat dit niet kan. Het komt er dus op aan, om naar hetgeen niet kan in dien omvang, evenwel zooveel als wij vermogen, te trachten. Bij gevolg, wij moeten de accijnsen matigen niet alleen door to hoog opgevoerde

Sluiten