Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

accijnsen te doen dalen, maar ook door accijnsen (e laten vervallen, daar waar zij nu bestaan en niet behoeven te bestaan. De geachte spreker vroeg: wat zal bet gevolg wezen? Het gevolg van het verhoogen der directe belastingen en het tijdelijk toelaten van accijnsen zou. meende hij, zijn, dat men zich aan de eene zijde niet verlicht zal gevoelen, en aan den anderen kant meer bezwaard dan tot dusverre. De geachte spreker heeft de gevolgen van dat meerdere bezwaar uitgemeten: er zullen meer executiën plaats hebben, menigvuldige dienstboden zullen worden afgeschaft. Hij heeft inzonderheid op het meerdere bezwaar gewezen voor diegenon die panden bewonen van tussehen de f 150 en f 350 huurwaarde. Wanneer ik neem Amsterdam (en 's-Gravenhage is met Amsterdam in ééne klasse), dan vind ik, dat de bewoner van een pand van tussehen de ƒ 300 en ƒ 350 huurwaarde in die stad, ten gevolge van dit artikel ƒ 8,30 meer zal betalen dan hij nu betaalt, en daarenboven, zoo hij eene dienstbode houdt, nog 90 cents voor die dienstbode. Ik heb reeds in eene voorgaande zitting daartegenover geplaatst hetgeen diezelfde bewoner zal winnen aan het mindere dat hij zal betalen in de indirecte belastingen, en dat bedraagt omstreeks ƒ 40, tegenover die ƒ 8 a ƒ 9, die hij nu meer zal betalen. Nu heeft de geachte afgevaardigde zich beroepen op een voorbeeld, dat hier ter stede zou hebben plaatsgehad. Ik geloof dat, wanneer dat voorbeeld publiek wordt, de bakkers in Den Haag vrij wat minder zullen te doen hebben. Men zal gewis er groot voordeel mede hebben zijn brood van buiten de stad te laten komen, wanneer men zoodanige rekening met de commiezen kan sluiten, dat men, met een groot huisgezin op een ruimen voet levende, voor het in den tijd van twee maanden benoodigde brood aan hen niet meer dan 70 cents behoeft te betalen. Maar de vraag is, hoe is de rekening door de commiezen gemaakt? Men spreke ook niet van 25 opcenten meer op het personeel, want liet hoogste dat nu meergevorderd zal kunnen worden, bedraagt 18 opcenten.

Ik kom nu tot het amendement, door den geachten spreker uit Drenthe (den heer van Heiden Reinestcin) voorgesteld. Ik erken volkomen hetgeen daarvoor pleit, het zoogenaamde zedelijke motief, waarop de geachte spreker zich heeft beroepen. Ik erken ook, maar toch niet zoo volkomen, hetgeen de geachte spreker gezegd heeft omtrent de gewoonte, en ik zal aanstonds zeggen waarom. Maar wanneer wij nu aannemen hetgeen de geachte spreker wil, wat doen wij dan? De geachte spreker wil, dat in dit artikel worde gelezen: „Plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik, met uitzondering van wijn en gedistilleerd, worden niet geheven, alvorens de gemeente-opcenten op de grondbelasting het in art. 244 vermelde getal bereikt hebben", enz. Wanneer wij dit aannemen, dan zal bij de wet een privilege worden toegestaan aan de belasting op den wijn en het gedistilleerd, niet enkel boven de andere verbruikbelastingen, maar boven alle belastingen. Men zal

Sluiten