Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 249. Het ontwerp bepaalde: „Het verbruik van zout en zeep wordt niet belast. De heer Sloet tot Oldhuis wil lezen: „Het verbruik van zout, zeep aardappelen, varkensvleesch en schapen vleesch wordt niet belast."

Er kan geen verschil van gevoelen zijn tusschen den geachten voorsteller en het Gouvernement, ten aanzien van het doel, want dat is het dikwerf besproken doel van dit ontwerp, om namelijk de lasten, die nu op de mindere klassen drukken, meer over te brengen op de klassen van personen, die thans evenredig minder dragen. Het lot der mindere klassen te verbeteren, dit brengt de aanleg van dit ontwerp mede. Maar is het nu goed om als middel daartoe dit amendement te bezigen? Daaraan twijfel ik. Waarom zijn in dit ontwerp van wet, ofschoon de bedoeling dezelfde is als die de geachte spreker heelt, de uitzonderingen die hij wil, niet vermeld?

Vooreerst wat de aardappelen betreft. Deze zijn onvermeld gebleven niet omdat het Gouvernement geloofde, dat de aardappelen belast behoorden te worden; maar om.lat, wanneer men aardappelen uitsluit van de te belasten voorwerpen, die uitsluiting dan ook zou moeten worden uitgestrekt tot boter, erwten en wellicht meer voedingsmiddelen, die in dit opzicht meer of minder met deze behooren te worden gelijkgesteld. Het komt mij voor, dat dit niet noodig is- ik meen, dat dit gerust aan het Gouvernement kan worden overgelaten. Men heeft tot mijne groote verrassing iu den loop van deze discussie n vongen dag, gesproken van eene belasting te Gouda, op de aardappelen gelegd. Ik had er nimmer van gehoord. Ik heb de zaak nog niet kunnen onderzoeken, maar, ik veronderstel dat hetgeen men bedoelt niet is eene eigenlijke belasting op de aardappelen, maar eene heffing op de aardappelen onder den titel van markt- kaai- of zakkengeld, waarvan de aard, het eigenlijke doel, toen de heffing

is goedgekeurd (zoo zij is goedgekeurd), door het Gouvernement niet werd ingezien.

Ik meen dus, dat, zal men dit voedsel, hetgeen de geachte spreker bedoelt, uitzonderen, men dan ook, in verband met het doel dat men zich voorstelt, volledig zal behooren te zijn. Maar ik geloof tevens dat het Gouvernement wel nooit in verzoeking zal komen, om eene belasting op de aardappelen, indien men die in eenige gemeente zoude willen opleggen, goed te keuren.

Wat het varkensvleesch en het schapen vleesch betreft, daaromtrent moet ik opmerken, Mijne Heeren, dat volgens dit voorstel niet alleen het leggen van opcenten, maar alle belasting op schapen-en varkensvleesch zou worden uitgesloten. Nu moet ik in bedenking geven, of dergelijke uitsluiting wel aannemelijk is? In den regel zal het Gouvernement voor eene gemeentebelasting op varkens- en schapenvlecsch hoe ook, niet gunstig gestemd zijn. Maar ofschoon men hiervan verzekerd kan zijn, er kunnen omstandigheden zijn, waarin te recht het eerst toevlucht zou genomen worden tot zoodanige belasting, waarin tiiohhkckk, Parlementaire redevoeringen, isrio—|kvi. 04.

Sluiten