Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alkmaar, reddeloos verloren doen gaan. De heer De Man, met een beroep op de discussiën bij art. 117 der provinciale wet gehouden (vgl. Deel II, blz. 201), dringt met dezelfde argumenten van destijds op verwerping van het artikel aan. Wat zal er plaats hebben, vraagt de heer van Akerlaken, „wanneer die rechten en gelden niet worden geheven uit kracht van ordonnantiën of bestaande reglementen, maar wanneer die heffing geschiedt uit hoofde van een anderen titel? Zal dan art.254 ook moeten gelden, of zal eene andere wijze van handelen plaats grijpen?"

Ik moet de Vergadering, die mij, ik erken het gaarne, in den loop dezer discussie met welwillendheid heeft aangehoord, op nieuw welwillendheid en aandacht verzoeken, want het geldt een onderwerp van gewicht. Het geldt hier, in mijne oogen, een strijd der cischen van de vrijheid van verkeer en circulatie tegen de handhaving van oude misbruiken, tegen het verlangen der gemeenten om, hoe dan ook, geld te maken, liefst niet in eigen boezem, maar ten koste der bezoekers van buiten; tegen de zucht om de gemeentebehoeften ten laste te brengen van hen, die geen ingezetenen der gemeenten zijn. Dit is het punt, waarop het hier aankomt; het geldt een strijd voor de vrijheid van omloop, voor ons Land vau het uiterste belang. Ik zal nagaan wat gezegd is door de geachte sprekers, die dit artikel hebben bestreden. Ik zal vooraf herinneren — later kom ik op dit punt terug —, dat dit artikel het eenige is, dat regel geeft ten aanzien van de loonen of rechten, die bij een vroeger artikel door de wet gelijkgesteld zijn met belastingen. Ten aanzien van belastingen heeft de wet in de artikelen, die reeds zijn aangenomen, regels gesteld, maar ten aanzien van deze loonen én rechten vindt men slechts in dit artikel een regel. Men zal dus, zoo dit artikel mocht vervallen, die loonen en rechten wel gelijk hebben gesteld met belastingen, maar men zal de regels, daarbij in acht te nemen, uit de wet hebben gelicht.

De geachte spreker uit Zaandam (de heer Smit) heeft gesproken voor de belangen van sommige plaatsen en hij heeft rond en onverbloemd gezegd, dat hij daarvoor opkwam. Evenzeer de geachte spreker uit Hoorn (de heer van Akerlaken). Toen ik dacht, Mijne Heeren, op de noodzakelijkheid van zoodanige uitzondering in deze wet, als nu gesteld is in het nieuwe art. 255, waren inzonderheid de Noordhollandsche steden mij voor den geest. Want zonder plotselijken ommekeer is het tot dusverre niet mogelijk, in die steden het belastingsysteem, zooals het is voorgesteld, in te voeren, zoodat ten aanzien van die steden, die door eene langdurige gewoonte in een geheel abnormalen toestand zijn gebracht, moest worden voorzien. Men werpe mij dus die steden, Alkmaar, Hoorn of andere steden van Noord-Holland niet tegen, want in mijne meening is art. 255 ten gunste inzonderheid van die steden geschreven. En wanneer de geachte spreker uit Zaandam zegt: de finantiën van sommige Noordhollandsche steden zullen reddeloos verloren zijn, dan zeg ik: neen, zij zullen niet verloren zijn, want zij

Sluiten