Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgedragen amendement, en ten tweede te antwoorden op een paar

vragen, door den spreker uit de hoofdstad (den heer Godefroi) aan my gericht.

Het voorstel van den geachten spreker uit de residentie komt mij ik zal het rond en eenvoudig zeggen, in het geheel niet aannemelijk voor. Het schijnt mij zoo toe om twee redenen, die ik zal opgeven nadat ik eerst zal hebben beantwoord hetgeen die geachte 'spreker a s een aandrang tot aanneming van zijn amendement in de eerste plaats heeft bijgebracht.

Die spreker heeft gezegd, sprekende van de Vergadering: wij zullen ons bij de toepassing van art. 255 begeven in het onderzoek van localiteiten; wij zullen ingrijpen in de wetgeving voor de gemeenten. Ik heb reeds beweerd, Mijne Heeren, dat dit niet het gevolg zal zijn van art. 255 en in geen geval behoeft te zijn. Ik meen dit"gevoelen ook thans nog te moeten vasthouden. Er zal niet anders geschieden dan dit: in zooverre behoorlijk reden zal moeten worden gegeven van de voorstellen, die het Gouvernement doet, zullen ook zoodanige redenen worden voorgedragen, die ontleend zijn van de inkomsten en de lasten eener gemeente. Maar dit treden in onderzoek van de inkomsten en asten zal alleen dienen tot toelichting en ondersteuning van de voorstellen van het Gouvernement. De Vergadering zal daaromtrent niet beslissen; de Vergadering zal zich op geenerlei wijze in de gemeenteinrichting mogen mengen, hetgeen voorbehouden is aan de Raden en, zoover het belastingen betreft, mede aan den Koning.

De twee redenen, waarom mij het amendement onaannemelijk voorkomt, zijn deze. De eerste is zeer verwant met de reden, die de geachte spreker heeft opgegeven als reden voor de aannemelijkheid van zijn amendement. Hij heeft gezegd: in de wet komt eene verplichte rangregeling voor, en dit is een ondragelijk element in die wet; dat element, die rangregeling moeten wij ontwijken: daarop ziet mijn amendement. Het doel van den geachten spreker is dus de wet op zijde te stellen, en dit zal inderdaad het geval zijn, indien dit amendement mocht worden aangenomen. Dit is mijne eerste reden tegen het amendement. Volgens dat amendement toch zal het geheel aan het oordeel en aan het goedvinden van het Gouvernement overgelaten zijn de wettelijke regels op te volgen of niet op te volgen. Het voorstel zegt: „Van de bepalingen der artt. 244, 246, 250 en 254, lste zinsnede, kan worden afgeweken, wanneer Ons door de voordracht eener gemeente en na Gedeputeerde Staten te hebben gehoord, is gebleken, dat het belang dier gemeente zulks vordert." Het zal derhalve te eenen male en volkomen vrijgelaten zijn, die regels der wet na te leven of niet.

De geachte spreker zegt: in mijn amendement zijn waarborgen ge legen, dat er geene misbruiken zullen plaats hebben. Mijne Heeren, ik zie die waarborgen niet. Waarin bestaan zij, naar het beweren

THoniiECKE, Parlementaire redevoeringen, 1850 1851. 25

Sluiten