Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

redenen betrekking hebben tot artikelen, die eerst later stof tot beraadslaging zullen zijn, dan, geloof ik, is het zelfs de plicht van den Minister de orde in acht te nemen, strenger dan misschien van de leden der Kamer kan worden gevorderd. De minister moet te allen tijde worden gehoord. Hij zou van die vrijheid licht misbruik kunnen maken en hij vooral moet zich dus streng houden aan de regelen die door het Reglement van Orde aan de leden zijn opgelegd.

In de tweede plaats zegt de geachte spreker, dat ik hem telkens tegenwerp, dat hij niet in de orde is. Mijne Heeren, ik geloof inderdaad, dat is eene tegenwerping — zoo zij tegenwerping mag worden genoemd — die niet ik alleen, maar die ieder lid van deze Vergadering telkens gelegenheid zou hebben dien geachten spreker te maken. Ik geloof inderdaad, de geachte spreker is nooit in de orde, dan wanneer hij tegen het onderwerp even in het voorbijgaan aankomt. Maar op hetzelfde oogenblik waarin hij dat doet, verwijdert hij er zich weder van, altoos kruisende heen en weder, aanrakende soms doch niet in de streek medevarende. Zoo is mij de discussie van den geachten spreker voorgekomen, thans en vroeger. Wanneer nu de geachte spreker zegt, dat ik mij onthouden heb hem te antwoorden, dan geloof ik dat, wanneer men buiten de orde is getreden, dit eene reden is om niet te antwoorden, vooral voor den Minister. Maar ik geloof tevens, dat de geachte spreker zelf zal moeten erkennen, dat ik in zoo menig geval aan het genoegen met hem te discuteeren te weinig weerstand heb kunnen bieden, om mij zeiven zoo streng aan de orde te houden, als misschien wel had behoord.

De lieer Jongstra stelt voor eene avondvergadering te honden.

Indien de Vergadering goedvindt eene avondzitting te houden, zal ik er mij aan onderwerpen, maar het besluit zal mij niet aangenaam zijn.

Ik erken dat deze zitting mij nog al heeft vermoeid, en om nu, nog half en half vermoeid, reeds over eenige weinige uren op nieuw tot de discussie over te gaan, schijnt mij wat veel. Intusschen, ik herhaal het, ik zal het besluit in de Vergadering volgen. Maar ik moet toch in bedenking geven, of er wel eene genoegzame reden bestaat om eene avondzitting te houden. Indien er kans was dat wij de discussie heden avond ten einde zouden brengen, ik zou daarin genoegzame reden tot zoodanig besluit vinden. Maar ik geloof niet dat dit het geval zal kunnen zijn, tenzij men de beraadslaging tot zeer laat in den nacht wilde voortzetten; en dan vraag ik, of, in de verwachting dat de discussie in den loop van morgen toch zal kunnen afloopen, eene avondzitting zoo volstrekt noodzakelijk is?

Sluiten