Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in geen geval behoeft te worden gegeven. De wethouders zullen altijd bevoegd zijn, om, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, aan den Raad te doen kennen, hetgeen zij in het belang der gemeente noodig keuren.

De 2de alinea luidt: „In dat geval en telkens, wanneer de burgemeester of burgemeester en wethouders zonder wettige redenen weigeren of verzuimen een besluit of eene verordening van den Raad uit te voeren, is deze bevoegd tot de uitvoering van dat besluit of die verordening een of meer zijner leden, en tot die van het besluit van burgemeester en wethouders eenen wethouder te machtigen". Ik stel bijv., dat het aankomt op de afkondiging van eene verordening, waarvoor de tijd en de vorm bij de wet zijn voorgeschreven. In zoodanig geval zou, vrees ik, deze alinea in de uitvoering niet zelden verwarring aanbrengen en wellicht leiden tot een twijfel, of de verordening wel behoorlijk uitgevoerd, wel behoorlijk afgekondigd zij.

De derde alinea zegt: „Aan deze machtiging wordt echter geen gevolg gegeven, dan na verloop van veertien dagen, nadat het besluit van den Raad, waarbij zij is verleend, aan Gedeputeerde Staten is medegedeeld, en na verloop van acht dagen, nadat de burgemeester of burgemeester en wethouders door den Raad schriftelijk is of zijn aangemaand, om aan zijne of hunne verplichting te voldoen". Ik doe alleszins hulde aan het doel van den geachten voorsteller, dat zoo duidelijk in dit gedeelte van het amendement doorstraalt; het doel, om overijling, om handelingen van drift te voorkomen. Maar nu dunkt mij toch, dat juist in deze bijvoeging opgesloten ligt, dat men het middel minder behoeft. Men zal zich aan Gedeputeerde Staten moeten wenden, en wanneer men zich nu toch aan hoogere macht wendt, opdat deze des noods tusschen beide trede, dan zal men even goed dadelijk tusschenkomst van hoogere macht kunnen inroepen. In den stand, waarin nu de burgemeester, waarin burgemeester en wethouders geplaatst zijn tegenover den Raad, bij de wijze, waarop de Raad, waarop het college van burgemeester en wethouders zullen worden samengesteld; bij de betrekking die er is tusschen Raad, burgemeester en wethouders en de burgerij, en bij het geregelde toezicht van hooger hand en de gemakkelijkheid, waarmede men hulp zal kunnen inroepen, waar men die wellicht noodig zou keuren, schijnt het mij toe, dat dergelijke bepaling inderdaad onnoodig mag worden geacht.

De heer Jongstra komt terug. Waarom is voorziening tegen nalatigheid in de uitvoering van wetten of algemcene maatregelen wel, tegen verzuim in het stuk van uitvoering van besluiten van den raad niet noodig?

Er kan geen strijd van beginsel zijn tusschen den geachten voorsteller van het amendement (den heer Jongstra) en den Minister. Datzelfde, waarvan bij het amendement de uitvoering in bepaalde vormen zou worden verzekerd, zal en moet gebeuren volgens het systeem der wet. De vraag is slechts of men hier zal kunnen vertrouwen op de zedelijke

Sluiten