Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 284. Volgens het ontwerp zouden „alle bestaande plaatselijke ambtenaren en machten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens de wet, waren vervangen." De heer Meelissen stelde voor aan het artikel een '2de lid toe te voegen: „De vervanging der plaatselijke ambtenaren geschiedt na verloop van twee jaren, te rekenen van de dagteekening dezer wet." De heer v. Eek wil: „na verloop van een jaar".

Het araendement, voorgesteld door den geachten spreker uit Noordbrabant, geamendeerd door den geachten spreker uit Zeeland, heelt de strekking, vooreerst, om het recht der gemeentebesturen tot benoeming, schorsing en ontslag der plaatselijke ambtenaren voor twee jaren, of anders voor een jaar, te schorsen. Ik ten minste heb het amendement zoo begrepen, dat het de strekking heeft, om niet slechts het recht van benoeming, ranar ook dat van schorsing en ontslag te schorsen; en ik moet het nog zoo inzien. Ik geloof ook, dat de geachte spreker anders zijn doel niet zal bereiken. De Gemeenteraden zouden, wanneer zij het recht van schorsing en van ontslag behouden, door de uitoefening van dit recht hetzelfde kunnen doen, hetgeen de geachte spreker door zijn amendement wilde voorkomen. In allen gevalle, de bewoordingen van het amendement brengen het mede; die bewoordingen brengen mede, dat de plaatselijke ambtenaren blijven zitten gedurende twee jaren.

In de tweede plaats strekt het araendement, om dien waarborg aan alle plaatselijke ambtenaren te schenken. Men heeft gesproken van de secretarissen, maar men zou er nog zoo velen moeten bijvoegen: de ontvangers, de klerken, de commiesen van de secretarie, tot zelfs de agenten van politie. Deze allen zijn plaatselijke ambtenaren, die, volgens dit amendement, gedurende twee jaren gehandhaafd worden in het bezit van hunne betrekking. Ziedaar de strekking van het amendement.

Waardoor wordt het ondersteund? Door gronden van publiek belang en door gronden van bijzonder belang. Maar ik geloot geen ongelijk te doen aan de voorstellers van het amendement, noch aan hen, die het hebben voorgesproken, wanneer ik de orde, waarin ik die redenen zoo even noemde, omkeer, en wanneer ik zeg: het amendement is voorgesteld allereerst in het bijzonder belang van de ambtenaren en, in de tweede plaats, in het publiek belang. De meening van het amendement is, die ambtenaren te laten zitten. Wanneer de plaatselijke autoriteiten dezelfde personen benoemen, zonder het amendement, dan zal het doel bereikt zijn. Maar of het in het publiek belang zal wezen, dat die personen allen worden herbenoemd, dit zal dan toch wel de vraag zijn, en op die vraag zal het geachte lid, dat het amendement heeft voorgesteld, wel eenigszins aarzelen ja te zeggen. Het komt er op aan te zorgen voor het lot der plaatselijke ambtenaren; dit is de beweegreden en de grond voor de ondersteuning van dit amendement. Die ambtenaren, zegt men vooreerst, kunnen op eens

Sluiten