Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toepassing kan worden gebracht, te zeggen dat de werking van deze wet geschorst blijft. De wet zal dus inderdaad niets anders zeggen dan hetgeen in den aard der zaak ligt. Uit den aard der zaak zal de toepassing van deze wet in dergelijke gemeenten niets anders dan een . spel, en in de meeste gevallen een onwaardig spel zijn. Laat nu de Grondwet, vraagt de geachte spreker, die beperking toe? Ik meen daarop .te hebben geantwoord. Daar waar de voorwaarde ontbreekt om tot zoodanige vertegenwoordiging van de burgerij te komen als de Grondwet bedoelt, blijven de regelen van de wet slapen, omdat de uitvoering van die regelen inderdaad onmogelijk is.

„Binnen twee jaren", zegt het artikel. De geachte spreker meent dat die termijn van twee jaren niet verzekert dat na twee jaren het doel zal zijn bereikt. Ik stem dit volkomen toe. maar de termijn van twee jaren is gegeven om binnen twee jaren te doen zooveel als mogelijk zal zijn. Is in die twee jaren niet alles te bereiken wat men hoopt te bereiken, dan zal aan de wetgevende macht verlenging worden voorgesteld. Welken langeren termijn men ook neme om zeker te wezen dat daarbinnen zal worden bereikt hetgeen men zich voorstelt, ik geloof, die zekerheid zal toch nooit kunnen worden verkregen.

Ziedaar het beginsel van het voorstel; het is de gedachte "dat in die gemeenten, waar het getal niet grooter is dan hier wordt genoemd, eigenlijk van de uitoefening van het kiesrecht tot samenstelling van den Raad, van de vertegenwoordiging in den zin der Grondwet, geen sprake kan zijn.

Het amendement van den heer Lotsy wordt met 62 tegen :t stemmen aangenomen.

Art. 294. Slotbepaling. „Deze wet verbindt met den dag harerafkondiging " De heer Baud stelt voor daaraan toe te voegen: „en /.al vóór den Sisten December 18(51 in nadere overweging worden genomen".

Ik meen, dat de regel, die in eene discussie eischt, dat men blijve bij de orde, bij het punt in beraadslaging, niet alleen is een regel van tucht, maar ook een regel van rechtvaardigheid, en dit, geloof ik, xs nu inzonderheid tastbaar. De geachte spreker heeft in den loop der discussiën, welke vier weken hebben geduurd, slechts eens, zoo ik mij wel herinner, het woord gevoerd om eene enkele opmerking te maken, en nu, op het laatst der discussie, gaat hij algemeene bezwaren opsommen tegen die wet, welke, indien zij hem drukten en hij ze wenschte voor te dragen, hadden behoord bij de algemeene beschouwingen. Ik vraag: is het rechtvaardig, op het laatst der discussie zulke beschuldigingen hier te opperen tegen een wets-ontwerp: dat het den publieken geest verdooft, dat het centraliseert, dat het eene ijzeren wet is? Is het rechtvaardig dit alles te opperen bij het slot der beraadslaging, op een oogenblik, waarop niemand genegen zal wezen daarop

2t>*

Sluiten