Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker uit Amsterdam heeft gezegd, dat men de inlandsche bouwkundigen had moeten raadplegen. Ik weet niet, Mijne Heeren, of de Nederlandsehe architectuur zich mag onthouden van kennisneming der buitenlandsche. Maar ik beweer, dat hier inlandsche bouwkundigen geraadpleegd zijn; ik beweer dat dit ontwerp uit het besef van hetgeen hier te lande behoefte is, ontsproot; dat het ontsproot uit een onderzÖSk van hetgeen hier te lande herhaaldelijk wordt vereischt. Zoo men zegt, dat in dit ontwerp onderscheidene bepalingen voorkomen, die ook elders worden gevonden, dan vraag ik, of het anders denkbaar was? Wanneer ook in andere landen gemeenten zijn, is het dan in dezen tijd denkbaar dat onze gemeenten zoodanig uitsluitend Nederlandsch zouden wezen, dat er geenerlei verwantschap, geenerlei gelijkenis met die gemeenten elders aanwezig, zou bestaan? Zoo het mogelijk ware de gemeenten hier te lande zoo te isoleeren, het zou, geloof ik, een verwijt zijn èn tegen hem die het beproefde èn tegen de proef zelve.

In de eerste plaats heeft de geachte spreker uit Amsterdam den census genoemd. Hij heeft daaromtrent eene bedenking geopperd, naar ik begrijp, uit hetgeen het algemeen belang eischt ontleend. Maar die geachte spreker heeft er bijgevoegd, en dit heeft mij bijzonder gerustgesteld, „ik voed geene ongerustheid voor Amsterdam". Indien de geachte spreker ten aanzien van de regeling van den census geene ongerustheid voedt voor Amsterdam, dan geloof ik, dat wij de zaak als voldongen mogen beschouwen ook voor de andere gemeenten.

Er is verder gesproken van centralisatie. Ik heb mij voorgesteld, dat dit ontwerp van wet, gelijk iedere volledige voordracht van gemeentewet, te doen had met twee hoofdpunten. Vooreerst te regelen de gemeenteinrichting op zich zelve en in de tweede plaats de betrekking der gemeente tot hooger gezag, tot de provincie, tot den Stnat. Wat het eerste punt betreft, — ik maak deze opmerking niet alleen tegen den geachten spreker uit Amsterdam, maar ook tegen den geachten spreker uit Gelderland en tegen de andere sprekers, die uit hetzelfde beginsel van- centralisatie een betoog tegen de wet hebben getrokken, — de regeling namelijk der gemeente op zich zelve, heb ik mij voorgesteld, dat de gemeentewet, volgens de Grondwet, de algemeene vereischten en grondslagen van een welgeordend gemeentebestaan moet vestigen, dat de gemeentewet die algemeene vereischten van eene welgeordende gemeente moet waarborgen. En< nu vraag ik, of men dat doel heeft voorbijgestreefd ? Ik vraag dit inzonderheid ook met betrekking tot het tweede punt, insgelijks door den geachten spreker uit Amsterdam aangevoerd, de eenvormigheid. Men zal wel moeten toestemmen, dat in zeker opzicht alle gemeenten gelijk zijn, en nu vraag ik of het verwijt, dat alle gemeenten te veel op ééne lijn gesteld worden, dit ontwerp treft. Overschrijdt het ontwerp op eenig punt de grenzen, waar de algemeene vereischten van een wel-

Sluiten