Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dusverre hadden, zegt hij, zal verloren gaan, en wij hadden gegronde hoop meer te zullen erlangen dan wij tot dusverre hadden. De genchte spreker heeft onder andere dit voorbeeld tot betoog bijgebracht. Onder de uitgaven, die op de begrooting moeten worden gebracht, bevinden zich die, welke vereischt worden tot het onderhouden van gemeentegebouwen.

11 Vln('t (le gemeenteraad goed een gebouw geheel te laten vervallen omdat het gebouw niet meer waard is onderhouden te worden. De geachte spreker stelt zich dan gedeputeerde Staten voor, die aan den raad zullen zeggen: het gebouw is het onderhoud wel waard. De som voor dat onderhoud vereischt, zal dan door hen op de begrootinc worden gebracht. Ik geloof, Mijne Heeren, dat men de toepassing van alle regelen, hoe ook gesteld, door te wijzen op voorbeelden, welke de verbeelding schept, tot uitersten zoude kunnen drijven waar die toepassing tot ongerijmdheid zoude leiden. Maar ik vraag of gedeputeerde Staten zich ooit tot zulk eene — ik mag het zoo moemen — ongerijmde handeling zullen laten vervoeren; dat zij, wanneer uit het etoog van den Raad blijkt dat een gemeentegebouw het onderhoud niet meer waard is, dat het voor afbraak moet worden verkocht, dat het voor de gemeente niet meer bruikbaar is, den gemeenteraad zouden willen dwingen dat gebouw te onderhouden. De gedeputeerde Staten, aan dergelijke ongerijmde willekeur toegevende, zouden het doel dezer voorschriften, verzekering van de deugdelijkheid van den gemeentedienst, voorbijstreven. En wat zou dan gebeuren? Zou de Raad zich dat lijdzaam laten welgevallen? De Raad zal zich beroepen op den Konina en is het nu denkbaar dat er ooit aan deze tafel zal zitten een Minister van Binnelandsche Zaken, die aan gedeputeerde Staten in een dergelijk geding tegen den gemeenteraad gelijk zoude geven?

De geachte spreker heeft meer dan eens in den loop van zijne rede woorden aangehaald van een schrijver, dien hij niet heeft genoemd, < ïen hij de eer heeft bewezen een begaafden schrijver te noemen. Ik meen sommige van de woorden, die de geachte spreker heeft voorgelezen, te herkennen, en zoo ik mij dan wel herrinner, geloof ik te mogen verzekeren dat wanneer uit dat geschrift niet gescheurd worden enkele woorden, wanneer het gelezen wordt in zijn verband, dat men dan de grondstellingen daarin, misschien hier te lande voor het eerst betoogd, zal geformuleerd vinden in dit wetsvoorstel. De geachte spreker meent, dat in dit ontwerp eene hoofdonderstelling is voorbijgezien die er in had moeten worden gebracht. Men had moeten onderscheiden uitgaven vau algemeen belang en huishoudelijke uitgaven. Ik heb de taak van de gemeentewet op dit punt anders begrepen dan de geachte spreker. Uitgaven van algemeen belang, welke zijn dat? De geachte spreker zou, indien ik hem wel gevolgd heb, daaronder willen verstaan zoodanige uitgaven die gedaan worden in het belan» van den algemeenen dienst, bijv. de bezoldiging van den burgemeester die tevens ambtenaar van den algemeenen dienst is. Ten aanzien van rilOKliKCKE, Parlementaire redevoeringen, 1850—1851. ->7

Sluiten