Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ministers twee maanden ieder jaar vacantie geven; maar zij moeten den tijd hebben om ten minste de organieke wetten na te gaan". De geachte spreker heeft niet gezegd, wat hij onder organieke wetten verstaat. Het is eene uitdrukking, die in de Grondwet niet wordt gebezigd. Of nu dit wets-ontwerp onder de organieke wetten moet worden gerekend, ja dan neen, hangt af van het denkbeeld dat de geachte spreker aan organiek verbindt, maar dat hij niet heeft geopenbaard.

Men moet den tijd hebben — heeft de geachte spreker gezegd — om zulke wetten na te gaan, en die tijd zou kunnen gevonden worden wanneer de Ministers niet waren overstelpt met bureauwerk. Dat is, Mijne Heeren, eene oude phrase, dikwijls te recht gebruikt, maar die ook wel gebruikt wordt waar zij in het geheel niet te pas komt. Stelt men zich voor, dat de Minister daarom weinig tijd heeft, omdat hij overstelpt is door bureauwerk, of door hetgeen in de bureaux kon worden afgedaan, dan stelt men zich den omvang en het eigenlijke onderwerp van de werkzaamheid van den Minister verkeerd voor. Ik ken een Minister van Binnenlandsche Zaken, die van de ingekomen stukken, dadelijk bij het inkomen in orde geschikt, een overzicht neemt, hetgeen in een kwartier, in een half uur of een uur afloopt. Die stukken gaan dan naar het hoofdbureau, worden van wege dat bureau, de Generale Secretarie, over de verschillende bureaux verdeeld, en van alle die stukken ziet de Minister nauwelijks een derde, soms niet een vierde of een vijfde ooit terug; zij worden zonder hem afgedaan; hij heeft er die orde opgesteld. Maar wat overblijft, dat derde, dat vierde of dat vijfde, moet door den Minister worden gezien, en dit is zóóveel, dat er niet alleen geen tijd overblijft voor die gewenschte vacantie van twee maanden, maar zelfs geen tijd voor het onderzoek, dat de geachte spreker verlangt, ten aanzien van de onderwerpen van wet van andere departementen. De geachte spreker heeft ook bij dien eisch, dunkt mij, niet doorgedacht op het gevolg van de vervulling. Wat toch zou het gevolg zijn, wanneer men in den Ministerraad een ontwerp van wet ging zitten overleggen gelijk men het doet in de afdeelingen van de Tweede Kamer? Gelooft de geachte spreker dat men dan doorgaans in de ontwerpen van wet, van wege de departementen voorgelegd aan de Kamer, eenheid, een geheel zou vinden? Gelooft de geachte spreker niet, dat de Ministers in de eerste plaats moeten eerbiedigen de eenheid van gedachte, welke aan het ontwerp ten gronde ligt, en welke zoo licht wordt verbroken, wanneer men in een Ministerraad, gelijk men wel soms in de afdeelingen zou willen, toegaf aan zijne begeerte om onder den eersten indruk, dien het opstel maakte, veranderingen daarin te brengen? Neen, Mijne Heeren, de redelijke wijze van overleggen is deze: men ziet het ontwerp in; men maakt zich bekend met de hoofdtrekken; men overlegt in den Ministerraad, en doet zijne bedenkingen gelden bij den betrokken Minister,

Sluiten