is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil de Grondwet niet juist uitsluitend, dat telkens bij ecne afzonderlijke wet ieder perceel, dat onteigend moet worden, worde aangewezen, maar de uitvoering van art. 147 in dien zin zou dan toch der waarheid meest naderen en, vooral ook beschouwd van de zijde der waarborging van den eigendom, de meest wenschelijke uitvoering zijn. Wij hebben, volgens hem, zulk eene algemeene wet, als nu wordt voorgesteld, in het geheel niet noodig. Men zou, meende hij, wanneer men alles overliet aan de bijzondere wet, meer vrijheid hebben voor de bijzondere gevallen, en niet, zooals nu, denzelfden vorm, denzelfden omslag voor alle omstandigheden; men zou dan voor sommige gevallen meer eenvoudigheid, meer kortheid, ja zelfs de provisioneele inbezitstelling kunnen voorschrijven. Ik meen, Mijne Heeren, dat door het beginsel, nedergelegd in art. 147 der Grondwet, voor alle gewone gevallen (dat is, voor die welke datzelfde artikel niet uitdrukkelijk uitzondert) de provisioneele inbezitstelling is buitengesloten. Het gemak dus, dat de geachte spreker bedoelt en hetgeen hij verwacht van de vrijheid der wetgeving om uitsluitend voor ieder geval, eene bijzondere wet te maken, mag, naar het mij voorkomt, op dezen grond, dat men dan eene provisioneele inbezitstelling zou kunnen voorschrijven, niet gelden. Ik mag niet aannemen, dat de wetgeving provisioneele inbezitstelling voor gewone, niet uitgezonderde, gevallen immer zou mogen toelaten. Maar, zegt de geachte spreker, er is dan mogelijkheid, korter te zijn, eenvoudiger voorschriften te geven daar waar in het bijzondere geval meerdere eenvoudigheid of kortheid kan worden betracht. Daar, Mijne Heeren, waar meerdere kortheid, waar meerdere eenvoudigheid kan worden betracht, dan mogelijk is bij groote werken, kunnen die eenvoudigheid en kortheid ten gevolge dezer algemeene wet alleszins worden in acht genomen. Deze vormen verhinderen niet, dat bij zulke eenvoudige zaken alles in zeer korte termijnen afloope. Hetgeen hier gesteld is, is ook voor zulke gevallen voldoende, waar omslag noodig is. Maar de wet schrijft niet voor, in allen deele dezelfde termijnen in acht te nemen bij kleinere werken als bij groote spoorwegen, die zich over een gedeelte van het Rijk uitstrekken. De uiterste termijn is voorgeschreven; maar de verschillende verrichtingen kunnen in vele gevallen binnen dien tijd afloopen en de wet zal dit niet beletten.

In de derde plaats; deze algemeene wet zooals die in den eersten titel vervat is, sluit geenszins zoodanige bijzondere wet uit als de geachte spreker voor elk geval zou verlangen. En hiermede meen ik tevens een antwoord te geven aan den geachten spreker uit Friesland (den heer Jongstra), die opgemerkt heeft dat het geval kan voorkomen, dat een zakelijk recht op zich zelf onteigend moet worden. Hij stelde het geval, dat de Staat of de maatschappij ecne onderneming wil doen op eigen goed, maar dat op dit goed rust eene erfdienstbaarheid, die weggenomen moet worden, zal het werk tot stand kunnen worden gebracht, fn zoodanig geval, heeft de geachte spreker uit Friesland