Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, welke art. 14? vordert, geef ik volkomen toe. Er staat in art. 14? geen woord van dergelijke wet. Art. 147 vordert, dat telkens bij de wet worde verklaard het algemeen nut, en ook volgens deze voorschriften, zal in ieder bijzonder geval eene voordracht ter verklaring van dat algemeene nut aan de Staten-Generaal geschieden. Dat artikel vordert in de tweede plaats eene algemeene wet, die de uitzonderingen regelt. De inhoud derhalve van den eersten titel van deze voordracht is iets wat niet rechtstreeks door de Grondwet wordt gevorderd, maar het belang der zaak scheen mij toe die regeling bij de wet te verlangen. Wanneer de .gevallen van onteigening in den regel overeenkomen, wat is dan beter, wat gepaster, de regelen die bij alle gewone gevallen gevolgd moeten worden, vooraf te beschrijven, of ze bij iedere afzonderlijke wet opnieuw op te nemen? Het eerste is mij ook daarom verkieslijk voorgekomen, omdat in al die regelen, eens opgenomen bij eene algemeene wet, ook meer waarborg is tegen willekeur, tegen afwijking, die ook aan de zijde van de wetgevende macht zou kunnen plaats hebben. Zoodanige waarborg tegen afwijking, tegen niet wel gegronde, niet wel gemotiveerde afwijking, schijnt niet overbodig, wanneer men in aanmerking neemt het onderscheid van gunst of ongunst, die de verscheidene werken zouden kunnen ontmoeten.

Het is niet twijfelachtig, ten minste het komt mij niet twijfelachtig voor, dat afwijking minder zal plaats vinden wanneer wij eene algemeene wet hebben, die de regelen voor alle gewone gevallen voorschrijft, dan wanneer de wetgever wordt geroepen voor ieder bijzonder geval aan te wijzen welke de vormen van het administratief onderzoek zullen zijn, welke regelen de rechter zal moeten volgen, naar welke regelen de schadeloosstelling zal moeten worden bepaald. De geachte spreker heeft gezegd, dat de eerbied voor den eigendom vordert dat niet de administratieve, maar de wetgevende macht beslist. Hij heeft opmerkzaam gemaakt op de groote ongelegenheid, waarin de administratieve autoriteit, de Minister van Binnenlandsche Zaken inzonderheid, zou kunnen en noodwendig moeten worden gebracht, wanneer dat alles, hetgeen hier aan het Gouvernement wordt overgelaten, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken verbleef. Het is de vraag, Mijne Heeren, of de Minister, eene voordracht doende, die zoo moet inrichten, dat zij zooveel mogelijk alle kans van verantwoordelijkheid van hem afwende, dan of hij de voordracht moet inrichten in het belang van de zaak, zooals hij dit begrijpt. De aanwijzing van ieder te onteigenen perceel door een afzonderlijke wet, levert voor den Minister oneindig veel gemak op. Dan is hij, om zoo te zeggen, van de zaak af. Dan heeft hij geene verantwoordelijkheid meer, en is deze overgebracht op de wetgevende macht. Maar is dit de rechte wijze? Is dit, met het oog op het belang van de zaak, verkieslijk? De eerbied voor den eigendom, zegt de geachte spreker, vordert, dat niet de administratieve, maar de wetgevende autoriteit beslisse. Maar hoe

Sluiten