Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het woordje de niet stond en wij lazen: „de wet verklaart vooraf dat het algemeen nut onteigening vordert." Nu vraag ik evenwel, Mijne Heeren, of dit kan opgaan bij onze wijze van redactie van wetten? Of aan het staan of vervallen van twee letters: van dat woordje de, zooveel kan worden gehecht? Ik wenschte, dat wij het in de kunst van wetgeving zoover gebracht hadden. Ik geloof dat, wanneer de grondwetgever hier voor ons zat cn wij hem afvroegen: is dat woordje de in dien zin, met die bedoeling in de tweede alinea geplaatst? hij ons zou antwoorden, gij vraagt mij te veel. Ik meen dat wij ook in wetten het woordje de wel eens gebruiken waar het zou kunnen wegblijven, en dat wij door de gewone regels van uitlegkunde niet worden belet den zin van het artikel als gelijkluidend te beschouwen, hetzij het woordje de er in gelezen worde, hetzij niet, inzonderheid daar, zoover ik weet, uit geenerlei stuk blijkt dat aan dat woordje zulk een bijzonder gewicht zou zijn gehecht.

Er staat in de eerste alinea van art. 147: „Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling". En dan volgt er in de tweede alinea: „De wet verklaart vooraf, dat het algemeen nut de onteigening vordert". De onteigening, dat is, zegt de geachte spreker, die onteigening, waarvan in de voorgaande alinea sprake is, de onteigening dus van een bepaald stuk goed. Ik meen, dat de zin der uitdrukking van art. 147 meer algemeen is. Het artikel wil, dat niemand van zijn eigendom ontzet worde dan onder bepaalde voorwaarden en dat de wet vooraf verklarc, dat het algemeen nut de onteigening vordert. Wanneer ik nu eene wet voordraag, waarin gezegd wordt, dat liet werk van dien aard is dat het onteigening ten gevolge zal kunnen hebben, dat de onteigening het werk zal moeten voorafgaan, dan meen ik te voldoen aan den eisch van de Grondwet. Ik laat nu geheel en al daar de gevolgen, die uit het eene en het andere stelsel voortvloeien. Ik laat ze daar, omdat ik nu alleen spreek van hetgeen de Grondwet al dan niet vereischt en daarenboven, omdat van die gevolgen reeds de rede geweest is in de memorie van toelichting en in de memorie van antwoord.

Indien ik mij niet vergis, Mijne Heeren, dan mag, hetgeen ik in de laatste plaats gezegd heb, tevens beschouwd worden als een antwoord aan den geachten afgevaardigde uit Arnhem (den heer Mackay), die gevraagd heeft: wil de Grondwet niet opneming van alle te onteigenen perceelen in de wet? Ik geloof, dat men eene wet zou kunnen ontwerpen, waarin dat wierd voorgeschreven; ik geloof, de Grondwet sluit het niet uit; maar ik meen dat de Grondwet vrijheid laat ook tot hetgeen bij dit ontwerp is voorgesteld.

De geachte spreker uit de residentie (de heer Schooneveld) heeft mij gezegd, dat ik met een oud vriend van ons beiden, den heer Luzac, steeds had voorgestaan het Engelsche systeem. Mijne Heeren, ik weet mij dit niet zoo bepaald te herinneren. Ik geloof niet, dat ik ooit een uitsluitend aanhanger geweest ben van het Engelsch systeem. Ik geloof

Sluiten