Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigendomsrecht, en de geachte spreker uit Nijmegen: ontzetting van een zakelijk recht is niet de bloote ontneming van feitelijk bezit. Het laatste stem ik volkomen toe, Mijne Heeren, maar ik geloof bij het ontwerp niet in dat misverstand vervallen te zijn en hoop er ook verder niet in te vervallen bij de beraadslaging. Het ontwerp van wet onderscheidt eigendom van zakelijke rechten, zooals het Burgerlijk Wetboek onderscheidt. Ik meen den geachten spreker uit Drente te moeten voorhouden art. 625 van het Burgerlijk Wetboek, luidende: „Eigendom is het regt om van eene zaak het vrij genot te hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken.'' Wanneer nu art. 147 van de Grondwet zegt: „Niemand kari van zijn eigendom worden ontzet ," dan wordt hier eigendom in die beteekenis gebezigd, die art. 625 van het Burgerlijk Wetboek daaraan hecht, en onderscheiden van alle rechten die men op zaken kan hebben.

De geachte spreker uit Nijmegen is opgekomen tegen een gezegde, in de memorie van beantwoording voorkomende met betrekking tot het wets-ontwerp nopens het bouwen in den omtrek van vestingen. Hij meent, dat men niet, gelijk in die memorie gedaan is, tusschcn de beperking van het eigendomsrecht en de ontzetting van den eigendom behoorde te onderscheiden, daar voor het een en voor het ander gelijke waarborg noodig was. Ik meen dien spreker met hetzelfde art. 625 te mogen antwoorden. Na de woorden die ik zooeven las, volgt daar: „mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft." Derhalve kan zoodanige beperking van de uitoefening van het recht gewis door de wet worden gesteld en zoodanige beperking in art. 625 niet begrepen zijn onder de gevallen van onteigening, dat is, zooals art. 147 van de Grondwet zegt, ontzetting van eigendom. Wanneer men het begrip van eigendom in tegenoverstelling van zakelijke rechten niet vasthoudt; wanneer men bij de wet, die tot uitvoering moet strekken van art. 147 der Grondwet, onder-ontzetting van eigendom alle verlies van zakelijke rechten begrijpt, die voor particulieren het gevolg zoude kunnen wezen van publieke werken, dan, geloof ik, zouden wij in eene wetgeving en in eene procedure geraken, ten gevolge waarvan het tot stand brengen van publieke werken öf onmogelijk of uiterst moeilijk zoude worden. Eene juiste, strenge onderscheiding, zoo mij voorkomt, geboden door de woorden van de Grondwet, is een volstrekt vereischte in het belang van die zaak, waarvoor alleen onteigening mag plaats vinden.

De lieer Sehoonevekl wenscht „meer categorische verklaringen" te ontvangen: „Zal er eene speciale wet noodig zijn voor elke mogelijke onteigening?"

Ik kan de gevraagde verzekering te eer geven, daar het geheele voorstel van wet rust op het systeem, dat de geachte spreker tot zekerheid verlangt te brengen. Maar ik moet mijn leedwezen te kennen geven,

Sluiten