Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoeken zullen hebben, maar dan zullen er drie onderzoeken zijn. Vleit u toch niet, Mijne Heeren, dat degenen, die hunne bezwaren reeds hebben kenbaar gemaakt bij de administratieve autoriteit, de gelegenheid zullen laten voorbijgaan om voor de derde reis met bezwaren op te komen, nu bij de wetgevende macht. De eigenaar zal de eerste instantiën van onderzoek misschien laten voorbijgaan of daarbij slechts flauw handelen, en nu in de laatste instantie opkomen. Hij zal denken: de beslissing komt aan op de wetgevende macht; daar zal ik mij doen gelden, ik zal daar trachten stemmen te winnen Hier in de vergadering zal men dan de vierschaar moeten spannen over al die bezwaren, hier zal dan zoodanig speciaal administratief onderzoek moeten worden ingesteld, als zelfs de Minister in persoon volstrekt niet kan voeren.

De geachte spreker uit Utrecht heeft gemeend, dat voor de vereeniging van het tweeledig onderzoek dat bij de wet is voorgesteld, deze reden pleitte, dat de wetgevende macht in staat zal zijn om een meer volledig onderzoek te doen, wanneer met het eerste onderzoek dadelijk het tweede wordt gepaard. Het komt mij voor, Mijne Heeren, dat wanneer men onder volledigheid van onderzoek verstaat het nagaan of wel ieder van die aangewezen perceelen bepaaldelijk behoort te worden aangewezen, de geachte spreker gelijk heeft. Maar wanneer het onderzoek van de wetgevende macht — en dat schijnt de meening te zijn ook van den geachten spreker — zich behoort te bepalen tot de vraag, of het werk van dien aard is dat het publiek nut de onteigening in die richting, over het algemeen vordert, dan geloof ik dat bij nakoming van de hier voorgestelde bepalingen, van de zijde van de wetgevende macht voldaan zal zijn aan hetgeen haar bij de Grondwet wordt opgelegd, aan hetgeen de eigenaardige taak van de wetgevende macht medebrengt.

Ten aanzien van de voorloopige inbezitstelling heeft die geachte spreker eene opheldering gegeven van zijne aanhaling van de Pransche wet van 1841. Hij heeft gezegd: ook in het Fransche charter vindt men de indemnité préalable, de voorafgaande schadeloosstelling, en nu heeft de Fransche wetgever ondanks die woorden van het Fransche charter, gemeend voor de gevallen van nood, urgence, in de wet van 1841 zoodanige voorloopige inbezitstelling te moeten opnemen. Maar volgt daaruit, Mijne Heeren, dat wij, wanneer art. 147 der Grondwet zoo gestreng is, gevallen onderscheiden kunnen waarin voorafgaande schadeloosstelling later kan volgen? Volgt uit die vrijheid, welke de Fransche wetgever genomen heeft met betrekking tot het Fransche charter, dat wij bevoegd zijn, dat wij verplicht zijn gelijke vrijheid te nemen ten aanzien van onze Grondwet? Ik voor mij acht mij te zeer door het voorschrift van de Grondwet gebonden, dan dat ik in dat opzicht zoude meenen mij op den weg van den Franschen wetgever te mogen begeven.

Sluiten