Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker heeft gewezen op onderscheidene rechten en lasten, inzonderheid op de tienden. Hij heeft bij die gelegenheid als zijne meening doen kennen, dat voor tienden geheel geene schadeloosstelling was verschuldigd. Dit punt, geloof ik, zal beter bij art. 46 worden behandeld, want, mocht bij art. 46 worden beslist, dat voor tienden geene schadevergoeding moet worden verleend, dan zal hier evenmin voor de vrijheid van tienden eenige schadevergoeding te pas komen, maar zal die vrijheid van zelf worden verkregen. Tot het denkbeeld om het gansche artikel te laten wegvallen, zou de geachte spreker, geloof ik, niet gebracht zijn, zoo niet de bedenkingen bij hem hadden gewogen, die hij heeft tegen de eerste alinea. Ik zou den geachten spreker niet durven toestemmen, dat, wanneer men de twee voorschriften, die nu in de laatste twee alinea's zijn vervat, laat vervallen, er dan geen twijfel zal overblijven in die gevallen, waarin onteigening van perceelen, volgens de wet, bij een Koninklijk besluit is voorgeschreven.

Ook de lieer van der Linden voorziet van de toepassing van lid I bezwaren. Amendement van den lieer Wintgens om de bestieden woorden te doen vervallen. De lieer Ypeij, van meening dat het alléén erop aankomt het goed te bevrijden van die lasten en rechten, welke aan de bereiking van het doel deionteigening in den weg zonden staan, dient een amendement in dien geest in.

Zoo ik moest kiezen tusschen die twee amendementen, mijne keuze zou niet twijfelachtig zijn. Ik zou verder durven gaan; ik zou haast durven aannemen, dat de geachte sprekers die tot dusverre gesproken hebben in den geest van het eerste amendement, bij nadere overweging zouden kunnen vinden, dat aan hun eigen doel door het amendement, voorgesteld door den geachten spreker uit Friesland, beter wordt beantwoord. In het algemeen zal ik de bepaling vnn art. 59 der wet herinneren. In art 59 wordt gezegd: „Het vonnis van onteigening wordt, tegen overlegging van een duplicaat der quitantie van betaalde schadeloosstelling of van een afschrift der beschikking van den voorzitter der arrondissements-regtbank, waarbij de inbezitneming wordt toegestaan, in de openbare registers, bedoeld bij art. 671 van het Burgerlijk Wetboek overgeschreven. Door die overschrijving gaat de eigendom op de onteigenende partij over, vrij van alle lasten en regten daarop rustende. Alleen erfdienstbaarheden kunnen op het onteigende goed gevestigd blijven, doch niet dan met goedvinden der onteigenende partij." Datzelfde beding, dat daar is gesteld, en dat, meen ik, eveneens elders in wetten over onteigening wordt gevonden, — datzelfde beding is hier herhaald voor zooveel het goed bij minnelijke overeenkomst mocht worden verkregen. Nu komt het mij voor, dat zoolang dit beding blijft bestaan bij overschrijving ten gevolge van gedwongen onteigening, datzelfde beding ook moet blijven, daar waar het geldt de voorziening omtrent de verkrijging van het goed bij minnelijke overeenkomst.

Sluiten