Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zie evenwel, ook na hetgeen ik nu heb gehoord, niet niet zekerheid, met klaarheid in, dat dit amendement strijdig zon wezen met het stelsel van de wet. Ik kan op dit oogenblik niet volkomen beslissen omtrent de bedenking, door den spreker uit Schiedam aan art. 51 ontleend. De geachte spreker uit Leiden heeft gewaagd van eene geruststellende' verzekering, die het Gouvernement had gegeven. Ik heb, zonder de plaats die bedoeld werd in te zien, uit mijn geheugen geantwoord, dat het mij voorkwam dat men daarin kon berusten. Ik zie thans, dat de zinsnede der memorie van beantwoording, waarop die spreker gedoeld heeft, aldus luidt: „De opvatting, dat onder derde belanghebbenden niet slechts zij worden verstaan, die reeds in het geding zijn, maar alle anderen in art. 4 (nu 3) genoemd, is alleszins juist, gelijk ook uit de artt. 28 en 37 volgt, en door het woord eindconclusie, in dat art. 3 (nu 4) thans geplaatst, buiten twijfel is gesteld." En nu moet ik verklaren niet in te zien, dat eenige tegenspraak hiermede in de wet zelve te vinden is. Degene die als derde belanghebbende wenseht te worden aangemerkt, zal zich vóór de eind-conclusie kunnen aanmelden, maar hij zal, daarna, bij tegenspraak, uit het proces geweerd worden.

En wat verlangt nu de geachte spreker uit Leeuwarden (de heer Ypeij)? Dat een derde belanghebbende, die uit het proces is verwijderd, als aanlegger zou kunnen optreden. Dit is de bedoeling niet van het Gouvernement. De bedoeling is deze, dat men zich tot de eindconclusie toe, hetzij als mede-eigenaar, hetzij als derde belanghebbende, kunne doen gelden, ten ware men, ten gevolge van tegenspraak van hoedanigheid, moet ophouden in het proces op te treden.

Kunnen derde belanghebbenden, op de bloote tegenspraak hunner hoedanigheid uit het proces verwijderd, hunne bezwaren tegen de taxatie aan den rechter-commissaris indienen ?

Ik heb dat inderdaad aan den geachten spreker geantwoord, en ik meen, wat betreft de bepaling van art. 36, nog, dat derde belanghebbenden hunne bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben beteekend, schriftelijk aan den rechter-commissaris kunnen indienen.

De heer van Hall bestrijdt het amendement-Wintgens.

De geachte spreker uit de hoofdstad (de heer van Hall) schijnt het hoofddoel van het voorgestelde amendement vergeten te hebben. De voorsteller, en in dit opzicht geloof ik dat hij volkomen gelijk heeft, zeide: er is voorzien in het geval dat er twee of meer gedaagden zijn, maar niet in het geval dat er slechts één is, en daarin voorziet nu mijn amendement, volgens hetzelfde beginsel, op grond waarvan bij het ontwerp van wet voorzien is in de gevallen dat er meer gedaagden zijn. Het betoog derhalve van den geachten spreker uit de hoofdstad

Sluiten