Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker heeft bedenkingen voorgedragen ten aanzien van de laatste alinea. Ik geloof, dat die bedenkingen gisteren wederlegd zijn, dat de Vergadering ze inderdaad bij de stemming reeds ter zijde gesteld heeft. Maar ik wil toch over een voorgaand artikel nog dit zeggen, dat hij, die verkeert in het geval, voorgesteld in de laatste alinea, geenszins wordt belet te verhuren, maar alleen niet zoo voordeelig zal kunnen verhuren als hij anders bij machte is te doen. Dat is eene schade, die evenzeer zal geleden worden door hem, die zou willen bouwen of planten, eene schade die niet kan worden voorgekomen. Met de meening, dat zoodanige schade niet geheel kan worden gekeerd, heeft, meen ik, de Vergadering zich vereenigd.

Amendement van den heer v. Nispen, art. i'2 te lezen: „Bij onteigening van verhuurd goed wordt de schadeloosstelling door de onteigenende partij aan den huurder uit te keereu, geregeld en vastgesteld op de wijze bij de voorafgaande artikelen bepaald."

Ik meende den geachten spreker te hebben hooren zeggen dat hij bij ditzelfde artikel, ook ten aanzien van de laatste alinea nog een amendement had voor te stellen. Ik heb dat door den Griflier niet hooren voorlezen. Het ware anders eenvoudiger en korter geweest, dat ik het een en ander had kunnen samenvatten.

Door het aannemen van het amendement, waarover ik reeds vroeger sprak, zal men ten aanzien van de regeling der schadeloosstelling voor den huurder een ander stelsel aannemen, dan hetgeen in het ontwerp is voorgesteld. Maar een ander stelsel aan te nemen, hier alles over te laten aan de gewone schatting, aan de loutere willekeur van den rechter, hiertoe bestaat, zooveel ik kan zien, geene reden, of althans geene genoegzame reden. Volgens art. 42 zal de huurder altoos, zelfs zoo de huur maar één jaar duurt, den huurprijs van twee jaren ontvangen, en mocht de te velde staande vrucht meer waard, mocht het kapitaal dat hij in den grond heeft gestoken, grooter zijn, dan zal hem dat meerdere worden vergoed. In zeer vele gevallen, geloof ik, zal wanneer het aan de gewone schatting wordt overgelaten, wanneer enkel gevraagd wordt, welke schade is geleden, aan den pachter wel minder worden toegewezen, zoodat het amendement thans voorgesteld, hem inderdaad schadelijk zal zijn.

En nu moet ik de aandacht van de Vergadering nog hierop vestigen, dat de geachte spreker uitsluitend het oog heeft op die bepaalde klasse van verhuurde goederen. Hij heeft geene bezwaren in het midden gebracht tegen de regelen wat betreft andere verhuurde goederen dan akkers en dus die regelen ten aanzien van die andere goederen ook niet bestreden, zoodat. deze regeling in haar geheel blijft. Bij de gelijkmatigheid van de toekenning van schadeloosstelling volgens deze regelen, die mij ook volkomen voldoende schijnen, om in het algemeen eene billijke schadevergoeding te verzekeren, zou ik denken,

Sluiten