Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dit .amendement niet uitstekend wenschelijk kan zijn, en dat deze regelen verre de voorkeur verdienen boven die willekeurige ongelijkheid, die mij voorkomt het gevolg te zijn van de aanneming van het amendement.

De heer van Nissen verdedigt zijn amendement nader. Ter tegemoetkoming aan zijn bezwaar, nit het laatste lid van art. 42 van het ontwerp voortgekomen, zal hij een afzonderlijk nieuw artikel voorstellen.

De geachte spreker heeft gezegd, dat wanneer het amendement werd aangenomen, dan, ten aanzien van de toekenning van de schadeloosstelling, zou gebeuren hetgeen, voor andere gevallen, ook zou plaats vinden volgens de voorgaande artikelen. Maar bij de voorafgaande artikelen zijn enkel vormen voorgeschreven. Het eerste artikel dat hier in aanmerking kan komen is art. 37, dat spreekt van de verrichtingen van den rechtercommissaris. Art. 38 zegt vervolgens: „Gebouwen, van welke een gedeelte onteigend wordt, moeten, op de vordering des eigenaars bij zijne conclusie, in art. 24 genoemd, door de onteigenende partij geheel worden overgenomen." Dan volgt art. 39, waar gelezen wordt: „Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op nieuwe getimmerten of op veranderingen, gemaakt na de nederlegging ter inzage, in art. 7 of in art. 12 bepaald, naar gelang het goed volgens het plan in eerstgemeld, of volgens dat in laatstgemeld artikel genoemd, ter onteigening is aangewezen." Art. 40 zegt: „Alleen de werkelijke waarde der goederen, niet de denkbeeldige, welke zij uitsluitend voor den persoon des eigenaars hebben, komt in aanmerking." Op art. 41 kan de geachte spreker in het geheel het oog niet gehad hebben. Het beroep derhalve op de vorige artikelen schijnt mij weinig afdoende. Ik zal thans niet terugkomen op hetgeen ik steeds moet blijven meenen, dat namelijk de voorgestelde regels zullen leiden, wat de overgroote meerderheid der gevallen betreft, tot toekenning eener billijke schadeloosstelling.

Het tweede punt betreft hetgeen die geachte spreker zou willen voorstellen bij een afzonderlijk artikel. Dit is, dunkt mij, aan tweeërlei bedenking onderhevig. Vooreerst zou dan geheel ter zijde worden gesteld hetgeen door het Gouvernement is voorgesteld in de laatste alinea van art. 42, in afwachting dat wij eene regeling van dit punt zouden kunnen vinden bij een volgend artikel. Dit, geloof ik, is geene juiste wijze van handeling. Maar in de tweede plaats moet ik in bedenking geven, dat de geachte spreker, zoo hij geene degelijke, geene beslissende reden heeft om van dit voorstel een afzonderlijk artikel te maken, hetgeen hij meent te moeten voordragen, in de plaats doe treden van de laatste alinea van art. 42. Het getal artikelen zonder noodzakelijkheid te vermeerderen brengt zoo licht verwarring aan. Men moet zich die moeilijkheid getroosten, wanneer

Sluiten