Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f)e lieer van Nispen komt terug.

De geachte voorsteller zelf waagt het niet zijn voorstel te verdedigen. En nu moet ik opmerken, dat het niet mogelijk is het geval van verhuring na de termijnen, in art. 39 genoemd, huiten zoodanige voorziening te laten, dat öf daarop de regel, hier voorgesteld, gelde, of dat de gewone regel van schadeloosstelling toepasselijk verklaard worde. Men moet voorkomen, dat niet verhuurd worde met het oog op eene spoedige onteigening. Het is dit, hetgeen pleit voor het behouden der laatste alinea van het ontwerp.

Het amendement van ilen lieer v. Nispen wordt met 50 stemmen tegen •1 verworpen.

Over een, achter artikel 42 in te voegen, nieuw artikel. De heer Gevers van Endegeest stelt voor, een artikel in te lasschen, waarbij recht op schadevergoeding wordt toegekend aan eigenaars die, „naar aanleiding van de artikelen 39 en 42, laatste alinea, zich tot hunne schade hebben onthouden, hetzij van nieuwe getimmerten of veranderingen op, hetzij van verhuring of hare verlenging, van hunne goederen", wanneer ten slotte die goederen niet voor het werk benoodigd zijn.

Ik dacht eerst dat de geachte voorsteller wilde terugkomen op art. 39 en de laatste alinea van art. 42. En ik durf nog niet beslissen dat daarop niet teruggekomen wordt. Ik durf dit niet zonder eene herbaalde lezing van het amendement. Maar ik begrijp, vooral na hetgeen de geachte spreker tot toelichting heeft gezegd, dat het zijne bedoeling niet is, ofschoon het uitwerksel van het amendement een terugkomen zou kunnen zijn. Zoo ik den geachten spreker wel heb begrepen, dan is zijne bedoeling dat de eigenaars van goederen, die niet meer voor de onteigening benoodigd zijn, schadevergoeding zullen kunnen vragen, wanneer zij zich onthouden hebben op die goederen te bouwen, te planten of ze te verhuren. Maar drukt, hetgeen de geachte spreker zelf in de wet gebracht zou willen zien, dit, in verband met het stelsel der wet, wel uit, gesteld namelijk, dat hij niet wil terugkomen op hetgeen voorloopig beslist is door aanneming van artt. 39 en 42? De aanwijzing der te onteigenen perceelen geschiedt uitsluitend bij Koninklijk besluit, waarvan gesproken wordt in art. 14 of in art. 16. Welke zijn nu de goederen, die, zooals het amendement zegt, ter onteigening (beter ware te stellen voor het publieke werk) niet meer benoodigd zijn? Die woorden zullen slaan op de goederen, beschreven in het eerste of in het tweede plan, maar worden vervolgens bij het Koninklijk besluit, bedoeld in art. 14, niet aangewezen. Ik noem nu alleen art. 14, omdat het besluit, daar bedoeld, de groote meerderheid van gevallen bevat, en dat van art. 16 slechts enkele uitzonderingen. Hot stelsel der wet is dit: De bepalingen van art. 39 en van de laatste alinea van art. 42 zijn alleen toepasselijk op zoodanige

Sluiten