Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit het oog. Vooreerst dat de hoofdgrond van het gebod in de eerste alinea van art. 17 gelegen is in art. 59. Hetgeen bij onteigening van zelf zal gebeuren, wordt bij art. 17 aan hem, die bij minnelijke overeenkomst zal verkrijgen, voorgeschreven. Nu zou eene dergelijke uitzondering , als de geachte spreker wil, eene allervreemdste houding hebben. De wet zou dan zeggen, dat een goed, ten gevolge van eene onteigening vrij zal overgaan, met uitzondering van de tiend daarop gevestigd, maar dat men, een goed bij minnelijke overeenkomst verkrijgende, zou gehouden zijn het ook van het tiendrecht vrij te maken.

In de tweede plaats heeft hij gezegd, dat die eerste alinea van art. 17 onschadelijk is. Ik meen dat niet. De Regeering zal nu gemachtigd en ook in vele gevallen verplicht zijn, om de nakoming van die bepaling als beding te stellen in de concessie, en dan zal de onteigenende partij gedwongen zijn om het goed over te nemen, geheel vrij van alle lasten en rechten daarop rustende. Nu verlangt de geachte spreker, dat dit niet zou behoeven te geschieden, wanneer het goed ten gevolge van gedwongen onteigening overgaat. De Vergadering zal, geloof ik, niet kunnen goedvinden, dat eene dergelijke ongelijkmatigheid in de wet wordt gebracht.

Nog twee opmerkingen heb ik hierbij te voegen. De geachte spreker uit Gouda (de heer van der Linden) heeft gezegd, dat de schadeloosstelling voor het verlies van een tiendrecht, bij onteigening, een tiende van de onteigeningssom zou moeten bedragen. Dat is, dunkt mij, wat hoog geschat. De tiend is dan toch altijd maar 1/10 van de opbrengst, en niet van de waarde van het goed. Die geachte spreker vindt er geen bezwaar in, dat het goed, weder juris privati wordende, — en die gevallen kunnen er zijn, — onder het bereik van het tiendrecht zal terugvallen. Het is, schoon geen hoofd voordeel, toch een bijkomend voordeel, hetgeen ik mij van de bepalingen dezer wet voorste], dat zoodanig goed vrij van het tiendrecht zal blijven, ook dan wanneer het in commerciutn juris civilü mocht terugvallen.

liet amendement van den heer Wintgens wordt met 44 tegen 17 stemmen verworpen.

25 Juli. Art. 47'). De heer van Doorn meent dat de eigenaar van eenen grond in eeuwigdurende erfpacht uitgegeven, ten gevolge van dit artikel, minder dan de door hem te lijden schade vergoed zal krijgen. Waarom wordt hij niet gelijk gesteld met den eigenaar van het beklemde goed?

') liij verlies ten gevolge van onteigening van eenen in eeuwigdurende erfpacht bezeten grond, wordt uit de schadeloosstelling het twintigvoudig bedrag der jaar1 ijksclie opbrengst voldaan. Wanneer die in voortbrengselen wordt betaald, geldt hier gelijke regel als omtrent de grondrenten in het lide lid van art. 7!)!l van het llurgerlijk Wetboek is geschreven.

liij tijdelijke erfpacht wordt de vergoeding, aan den erfpachter verschuldigd,

Sluiten