Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik antwoord: ten aanzien van tijdelijke erfpacht zal de gewone regel van de wet gelden. Wanneer de eerste alinea van dit artikel zegt, dat bij verlies, ten gevolge van onteigening van eenen in eeuwigdurende erfpacht bezeten grond, uit de schadeloosstelling het twintigvoudig bedrag der jaarlijksche opbrengst wordt voldaan, dan wordt in dat geval de eigenaar afgekocht met de som, die door de rechtbank wordt vastgesteld, welke som begrepen is in de schadeloosstelling. Evenzoo zal gehandeld worden voor het geval van het verlies van tijdelijke erfpacht.

Het burgerlijk wetboek, meent de heer van Doorn, kent alleen tijdelijke erfpacht. Het eerste lid van dit artikel heeft evenwel eeuwigdurende erfpachten op het oog en bij deze zijn den eigenaar, behalve het recht op de pachtsom, nog „casueele voordeelen" gegeven, voor welke, in geval van onteigening, evenzeer schadeloosstelling behoort te worden toegekend. Spreker komt terug op het denkbeeld om bij onteigening van erfpachtsgoederen dezelfde regelen te doen gelden als bij onteigening van het recht van beklemming. Hij stelt daartoe voor: de eerste alinea van het artikel te doen vervallen; den aanvang der tweede alinea te doen luiden: „Bij verlies ten gevolge van onteigening van eenen, in tijdelijke erfpacht, bezeten grond, wordt de vergoeding aan den erfpachter verschuldigd, door deskundigen begroot" enz.; de voorgestelde regeling betrell'ende het recht van opstal te behouden, en het laatste lid van het artikel te lezen: „Bij onteigening van erven aan het regt van beklemming onderworpen of in eeuwigdurende erfpacht bezeten, worden zoowel de eigenaar als de beklemde meier of de erfpachter in het geding geroepen" enz.

Ik kan niet zien, dat er een hoofdbezwaar bestaat tegen de aanneming van het amendement, door den heer van Doorn voorgesteld, en zal er mij dus niet tegen verzetten. Het recht, gegeven aan den eigenaar van in erfpacht bezeten grond zal worden uitgebreid tot zoodanige uitkeeringen, die de eigenaar behalve het kanon ontvangt, tot buitengewone uitkeeringen, die, gelijk men gezegd heeft, bij vele erfpachten plaats vinden. Het kan niet anders, of het is de bedoeling van het ontwerp van wet, te zorgen voor eene billijke schadeloosstelling voor alle gevallen. Ook in zooverre het amendement strekt tot gelijkstelling, zal ik er mij niet tegen verzetten. Ik zie geen bezwaar, dat de eigenaar van het goed, in eeuwigdurende erfpacht uitgegeven, met den eigenaaar van een goed, aan het recht van beklemming onderworpen, worde gelijkgesteld.

Het amendement van den heer van Doorn wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Art. ;>2. liet ontwerp bepaalde: „De voorziening in cassatie moet binnen drie «lagen na «Ie uitspraak plaats hebben." ï)e lieer SclioonevelJ wilde : ,,binnen drie dagen na de beteekening van het vonnis."

Ik zou ongaarne toestemmen wat de geachte spreker verlangt. Het komt mij voor dat dit voorschrift, na al hetgeen volgens deze wet vooraf zal zijn gegaan, zeer wel, zonder schade voor de partij, uitvoerbaar is. Er zal ten gevolge van hetgeen omtrent de gehee!c vorige behandeling der zaak hier voorgeschreven is, veel bekendhel I aan den loop

Sluiten