Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, dunkt mij, wederlegd door dc uitdrukking die hij zelfheeft voorgesteld en die ik heb overgenomen. Hij twijfelt of, wanneer het artikel van dijk- en soortgelijke lasten spreekt, wel duidelijk genoeg blijkt, dat ook lasten, praestatiën in natura, bedoeld zijn. Zoo daarover eenige twijfel kon bestaan, alle twijfel over de bedoeling van die woorden moet, geloof ik, ophouden wanneer men leest hetgeen volgt: „Alle belnstingen hoegenaamd waarmede het onteigende goed wordt bezwaard of die daarvan betaald worden." Na vallen die lasten, welke de geachte spreker op het oog heeft, zonder eenigen twijfel in de eerste klasse, zoover het niet zijn lasten die van het goed worden betaald. Ik geloof niet dat het mogelijk is, vollediger, duidelijker, omvattender in een wetsontwerp uit te drukken, wat de wet zeggen wil, dan nu, ton gevolge van het amendement van den geachten spreker, door mij eenigszins gewijzigd, zal gebeuren.

Art. 6i.

Mijnheer de Voorzitter! Ik verzoek, dat vooral niet in het ontwerp van wet, dat op het bureau van den Voorzitter berust, overga hetgeen hier nu gedrukt staat in den eersten regel. Het woordje niet moet daar vervallen.

Waartoe de woorden „bij den rechter"?

Het komt mij voor, dat de wet niets moet bepalen van het terugvragen in der minne. Dat kan men ook zonder de wet doen. Maar om gerechtelijk terug te vorderen, daartoe moet de wet macht verleenen.

Art. 63. Onteigening bij vestingbouw; aanleg, herstel of onderhoud van dijken. De opvolging der voorschriften van de artikelen (i'2 en 63 zal, volgens den heer van Nispen van Sevenaer, te veel tijd vorderen.

Ik kan den geachten spreker niet anders antwoorden, dan dat wij hier zijn gebonden door de Grondwet. Waren wij geheel vrij de bevoegdheid te geven tot in bezit nemen zonder vormen, zonder voorafgaande schadeloosstelling, dan zouden wij misschien van die vrijheid gebruik maken, waar het erop aan kwam een strookje gronds in bezit te nemen om eenen dijk te verzwaren. Maar wij zijn hier gebonden; wat tot publiek gebruik noodig is, hetzij een grooter, hetzij een kleiner stuk grond, moet nu volgens de algemeene beginselen worden verkregen, tenzij in de bijzondere gevallen, welke de Grondwet uitzondert. Wij maken niet eene wet voor waterschapsbesturen, maar eene wet regelende de onteigening ten algemeencn nutte.

De heer van Nispen meent, dat men ten minste in stand moest houden het oude recht van de dijkbesturen om de strooken gronds, die voor <ie verzwaring of verbreeding van den voet des dijks worden vereiseht, te nemen zonder de thans voorgeschreven formaliteiten. Ook in liet voorloopig verslag der Kamer werd daarop reeds gewezen.

Sluiten