Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijde van het Gouvernement. En nu mag, dunkt mij, door den wetgever wel worden aangenomen, dat wanneer men in zoodanig geval verkeert, waarop de geachte spreker zich beroepen heeft, wanneer het geldt een belangrijk werk, dat geen uitstel gedoogt, — dat het Gouvernement dan niet zal toegeven aan die neiging, welke hij als eene hebbelijkheid van onzen volksaard schijnt te beschouwen. Bij het Gouvernement zal de overtuiging, dat een belangrijk werk spoedige afdoening vereischt, genoegzaam zijn. Mij dunkt, dat mag en moet men van het Gouvernement vertrouwen, en uit die overweging komt mij het amendement van den geachten spreker te eenen male onaannemelijk voor. Het schijnt mij zelfs zóó onaannemelijk, dat ik voor de uitvoering van de wet zou terugdeinzen, wanneer dat amendement mocht worden aangenomen. Ik verzoek de Vergadering er op te letten, dat wij hier te doen hebben met de onteigening van eene onroerende zaak, zoowel voor vestingbouw als voor het aanleggen, herstellen of het onderhouden van dijken. Ook de vestingbouw is er in begrepen, schoon de geachte spreker dien niet bedoelt. Hij bedoelt alleen dijkwerken. Nu zal dus ten aanzien van dijkwerken aan het Gouvernement worden voorgeschreven dat het besluit bij belangrijke werken, die geen uitstel gedoogen, zal moeten worden genomen binnen ééne maand. Mijne Heeren, dat is een voorschrift, onmogelijk op te volgen. Al gedoogt het werk geen uitstel, altijd zal er zooveel tijd moeten zijn om, eerst na behoorlijk onderzoek, een besluit te nemen, en in belangrijke werken, het aanleggen bijv. van een grooten dijk, het maken van een groot waterwerk, zal het — schoon met spoed moet worden te werk gegaan, — in vele gevallen onmogelijk zijn binnen ééne maand een wel overwogen besluit te nemen. Ik geloof dus, dat de voorgestelde bepaling aan het Gouvernement eene verplichting zou opleggen die het niet kan vervullen. Bij de wet is ook niet wel eene grens te trekken tusschen de eene soort van waterwerken en de andere. Het zal dus voor alle gevallen aan de zorg van het Gouvernement, — en aan geene zorg hecht het Gouvernement zooveel gewicht als aan die voor den waterstaat, — moeten worden overgelaten om in een geval waar spoed noodzakelijk is, binnen die acht maanden te beslissen, zoodra eene beslissing kan worden genomen.

Ook den heer van Dam van Isselt schijnt een termijn van ééne maand voldoende. Evenwel, indien art. 73 7.00 ruim zal moeten opgevat worden, dat dit ook toepasselijk is op het leggen van nieuwe dijken ten gevolge van watersnood, dan acht hij het amendement overbodig.

Ik vraag den geachten spreker uit Gelderland (den heer van Dam van Isselt) verschooning, dat mij iets dergelijks gebeurd is, als hetgeen, volgens zijne eigene getuigenis, hem is gebeurd. Ik heb in den loop van mijne rede vergeten, dat antwoord te geven hetgeen ik mij in het begin voorstelde te geven. Het begrip, dat met deze woorden van

Sluiten