Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedragen, wanneer de provinciale Staten die goedkeuren, en tot uitvoering van die maatregelen, van zoodanige meer algemeene afmaking van vee, eene belasting verkiezen te heffen.

Hoe zal deze wet kunnen werken, zoolang de politiewet, waarover gesproken werd, er nog niet is?

Ik plaats mij in den toestand waarin de geachte spreker (dc heer Ter Bruggen Hugenholtz) mij ondersteld heeft. Ik treed als Minister af en mijn opvolger is niet zoozeer van het gewicht van de bedoelde politiemaatregelen overtuigd als ik ben; hij heeft andere, in zijn oog meer dringende bezigheden, en laat eenige jaren rusten hetgeen ik aan de Staten-Generaal in de aanstaande zitting en nog wel dadelijk bij den aanvang van die zitting dacht voor te stellen. Wat zal dan het geval zijn? Dan zullen wij in dien toestand blijven, waarin wij ons op dit oogenblik bevinden. Nu uit het veefonds geene schadevergoeding meer wordt verleend, nemen sommige provinciën op zich uit provinciale fondsen vergoeding te geven voor het vee dat op last van de provinciale autoriteit, ten gevolge van provinciale verordeningen, wordt afgemaakt.

Ik moet nog een punt aanroeren, dat den vorigen spreker misschien niet onverschillig is. Hij heeft aangenomen, dat men vee afmaakt; maar men maakt ook onder de bestaande wetgeving geen vee af dan op autorisatie van het publiek bestuur. Zoo nu in de verschillende provinciën geen publiek bestuur tot afmaking autoriseert, dnn komt ook geen schadeloostelling meer te pas. Het geschiedt alleen daar, waar, gelijk in Groningen en in Friesland, werkende verordeningen bestaan.

Art, 73,

Ik vraag het woord om de inlassching van eenige woorden voor te stellen; een voorstel waartoe ik aanleiding heb gekregen door eene opmerking van een van de leden dezer Kamer. Het geldt den 2den volzin van de 1ste alinea, waar gezegd wordt: „in geval van watersnood, kan die last ook door de betrokken collegiën en besturen, in artt. 1 en 2 der wet van 9 October 1841 (Staatsblad no. 42) vermeld, of door de hoofden dier collegiën en besturen worden gegeven." Men heeft mij opmerkzaam gemaakt, dat het hoofd van een college, de dijkgraaf bijv., in zoodanig geval op den dijk tegenwoordig kan zijn en het toezicht voeren binnen een zeker vak, maar niet over de geheele uitgestrektheid, waarover zich wellicht de ramp uitstrekt en watersnood aanwezig is. Op die andere plaatsen moet dan, in plaats van den dijkgraaf, een ander lid van het college of bestuur de noodige maatregelen kunnen bewerkstelligen. Dit komt mij volkomen juist voor en ik stel daarom voor om in dien volzin, na de woorden: „of door de

Sluiten