Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schikking van Geil. Staten niet in den raad iloen voorlezen cn, toen list verloop van zes weken geene dispositie ter contrarie van den Koning was ingekomen, zijn vonnis als door den Koning goedgekeurd beschouwd. De kapitein was, niettegenstaande de uitspraak van Gedeputeerden, door den Koning ontslagen, zonder dat evenwel dit ontslag verleend werd „eervol". Over een en ander liad hij zich bij een tot de Tweede Kamer gericht adres beklaagd. De conclusie van het rapport der commissie, in wier handen de inlichtingen van den Minister van Rinnenlandsche Zaken omtrent dit adres waren gesteld geworden, strekte om, aangezien deze Minister, bij gebrek aan dwangmiddelen, voor de niet-nakoming van de wettelijke voorschriften dooiden schuttersraad bezwaarlijk kon worden verantwoordelijk gesteld, de missive van den Minister voor kennisgeving aan te nemen.

De heer v. Datn v. Isselt valt, naar aanleiding van het rapport der commissie, den Minister in heftige bewoordingen hard over de wijze waarop den kapitein ontslag uit den dienst werd gegeven. Het belang van liet recht, zegt hij, dringt hem zijne meening te uiten.

Ik word met deze zaak overvallen, wel niet voor de eerste reize, maar op een oogenblik, dat mij hetgeen gebeurd is slechts in het algemeen voor den geest zweeft, zonder dat ik mij de bijzonderheden daarvan met genoegzame nauwkeurigheid herinner. Ik zal zeer gaarne de gelegenheid vinden al die bijzonderheden aan de Vergadering over tc leggen. Ik wensch dat te doen binnen den kortst mogelijken tijd; zoo spoedig als de tijd toelaat die noodig is, om die geschiedenis in hare onderscheiden deelen opnieuw na te gaan.

Ik ben overtuigd, dat deze zaak met de uiterste zorg is behandeld, dat zij is behandeld met groote rechtvaardigheid en met grooter humaniteit dan in eene dergelijke zaak van een Minister kon worden gevorderd.

De geachte spreker heeft vooreerst den man op den voorgrond geplaatst; en ik wenschte dat hij dat niet gedaan had. Hij heeft drie keeren gezegd, dat die man zich gedurende twintig jaren met trouw en eere aan den dienst van de schutterij had gewijd; en dat die man was veroordeeld om een onbeduidend gesprek. Uit die beide punten is mij gebleken, dat de geachte spreker, schoon mogelijk kennis genomen hebbende van de stukken, die medegedeeld zijn aan de Kamer, de zaak evenwel niet kent, noch de geschiedenis van den man, noch de geschiedenis van het feit, waarop deze veroordeeling is gevolgd. De geachte spreker heeft ook gemeend, dat het vonnis van de gedeputeerde Staten door mij had moeten worden gehandhaafd, maar ik wenschte wel dat de geachte spreker mij het middel aan de hand had gegeven om dat te doen. Ik was overtuigd, gelijk de Commissie die zoo even rapport uitbracht overtuigd is, dat de schuttersraad het vonnis van gedeputeerde Staten, van den hoogeren rechter ten uitvoer had behooren te leggen, maar de geachte spreker is in gebreke gebleven mij den weg aan te toonen, waarop ik tot de handhaving van dat vonnis had kunnen geraken. De feil ligt hier in het gebrekkige van de wet, en dit heeft de geachte spreker in den loop zijner rede ook

Sluiten