Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienen om, onafhankelijk van den staat van dat veefonds, onafhankelijk van de voorschriften die tot dusverre golden, in eene bestaande behoefte te voorzien. De uitvoering van de wet van 1842 kan niet worden geëischt, dan wanneer het veefonds of fonds voor den landbouw bij machte is om de verstrekkingen te geven, waarop bij de wet van 1842 is gerekend.

In het verslag der Commissie van Rapporteurs, Mijne Heeren, wordt ten slotte gezegd, dat ééne afdeeling algemeen had verlangd, dat in de memorie van toelichting bij dit wetsontwerp eenigc opgave ware gegeven van het vermoedelijk bedrag dezer belastingen. Ik heb mij bevlijtigd dit uit de provinciale begrooting van Friesland na te gaan. Er is mij gebleken, dat de onzuivere opbrengst van de belasting, naar de waarde van het rundvee, geschat wordt op f 33,571 en de zuivere opbrengst daarvan op ƒ 30 & ƒ 31,(XX); de onzuivere opbrengst van twee opcenten op de grondbelasting van ongebouwde eigendommen op f 14,176 en de zuivere opbrengst, na aftrek van de kosten, die ƒ 1000 bedragen, op ƒ 13,176.

De lieer van Andringa de Kempenaer meerit dat de wet van I84'2, voornamelijk wat betreft de politie op liet vee, beter uitvoering kan erlangen.

Ik ben den geachten spreker (den heer van Andringa de Kempenaer) erkentelijk voor hetgeen hij onder mijne aandacht brengt. Zonder eenigszins het gewicht daarvan te miskennen, geloof ik evenwel, dat daarop tweederlei zou kunnen worden geantwoord. Vooreerst zou tot antwoord kunnen strekken hetgeen gelegd is door den vorigen geachten spreker, den afgevaardigde uit Utrecht, dat de voorschriften van de wet, tot dusverre bestaande, niet toereikend zijn. In de tweede plaats — en dit zal de geachte spreker uit Friesland zelf gaarne erkennen, — dat de klem van de uitvoering van de wet van 1842 inzonderheid' gezocht moet worden in het vermogen om behoorlijke schadevergoeding te geven. Zoodra dat vermogen ontbrak, waren politiemaatregelen in vele opzichten, zoo niet grootendeels, krachteloos, omdat bij de veehouders de prikkel niet sterk genoeg was om datgene te doen, wat de wet vordert, en zonder hunne medewerking de uitvoering van de wet niet kon worden verzekerd.

Beraadslaging over het ontwerp van wet tot onteigening ten ai.gemeknen nutte in de Eerste Kamer. Het eerste bezwaar werd, evenals in de Tweede Kamer, aan de Grondwet ontleend: .lat aan de administratieve macl.t werd opgedragen aan te wijzen welke perceelen zouden onteigend worden, was, meende men, in strijd met artikel 147 der Grondwet. Dit artikel eischte, volgens de lieeren Philtpse, Martens van Sevenhoven en de lirauw, dat de aanwijzing zoude geschieden door den wetgever. Daarenboven, zoo oordeelden zij, was, alléén indien door den wetgever werd beslist, welke bepaalde perceelen binnen de onteigening zouden vallen, het mogelijk alle verwijt van willekeur te

;«*

Sluiten